De maatregelen van Plasterk lijken wel op de aanbevelingen van Rinnooy Kan, maar dat is slechts schijn. Het lerarentekort wordt zo niet opgelost.
Het getal dat de afgelopen weken en zelfs maanden steeds geklonken heeft, is 1,1 miljard. Dit was het bedrag dat volgens Rinnooy Kan minimaal nodig was om het lerarentekort te beperken zonder verlies van kwaliteit. Minister Plasterk beloofde herhaaldelijk dat dit bedrag er zou komen en heeft deze belofte nu ook waargemaakt.
Of toch niet? Wie het actieplan van Plasterk goed leest, ziet op de laatste(!) pagina dat komend jaar slechts 173 miljoen euro geïnvesteerd zal worden. Dit bedrag loopt gedurende de regeerperiode op tot maximaal 601 miljoen in 2010 en pas na 2015 zal het bedrag van 1,1 miljard gehaald worden. Als tenminste één van de minimaal twee volgende kabinetten daar geen bezuinigingsstokje voor steekt.
Gedurende de eigen regeerperiode komt Plasterk dus slechts tot de helft van het bedrag. Ook bij andere maatregelen regeert Plasterk over zijn graf heen, bijvoorbeeld als hij het inkorten van de periodieken voor de helft aan een volgend kabinet overlaat.
De vraag rijst dan of Plasterk met dit bedrag het lerarentekort wel zal oplossen, zoals we nu overal horen en lezen. Gelukkig levert het actieplan van Plasterk zelf het antwoord op deze vraag. Op pagina 7 schrijft hij namelijk: „Uit CPB-berekeningen blijkt dat bij volledige doorvoering van de maatregelen het voorziene tekort aan leraren in het voortgezet onderwijs eenderde lager kan uitvallen*”
Niet alleen wordt tweederde van het probleem niet opgelost, ook is het resultaat slechts de positiefste uitkomst van de CPB-berekeningen, zoals bij verder lezen blijkt. Een zeer mager resultaat, dunkt mij.
Het verschil tussen beeldvorming en werkelijkheid in Plasterks actieplan is echter het meest doorzichtig in zijn totale reactie op het rapport Rinnooy Kan. De minister presenteert het als zou hij de conclusies van dit rapport grotendeels hebben overgenomen. Twee van de belangrijkste aanbevelingen van het rapport voert hij echter niet uit.
Ten eerste adviseerde Rinnooy Kan dat beloningen van leraren marktconform moeten zijn om het lerarentekort te beperken. Met uitgebreide becijfering toont het rapport Rinnooy Kan daarbij aan dat dit slechts mogelijk is als beloning gedifferentieerd wordt naar opleidingsniveau, zodat het startsalaris in het onderwijs gelijk is aan het startsalaris in het bedrijfsleven bij eenzelfde opleidingsniveau. Plasterk beloont de docenten pas als ze ervaring opgebouwd hebben en aan moeilijke (vmbo) klassen lesgeven. Dit verantwoordt hij met de woorden ’Een hoger opgeleide leraar is niet automatisch een betere leraar’. Met dit antwoord geeft hij aan dat de essentie van Rinnooy Kans rapport aan hem voorbij is gegaan: meer hoogopgeleiden moeten kiezen voor een baan in het onderwijs. Een hoog startsalaris is daarbij één van de belangrijkste stimulansen.
Het tweede cruciale punt van het rapport Rinnooy Kan raakt aan de essentie van de mislukkingen in het onderwijs de afgelopen decennia. De verklaring van deze mislukkingen is volgens het rapport dat het overgrote deel van de maatregelen de schoolorganisatie als uitgangspunt koos, in de hoop dat de leraar daar indirect van zou profiteren. Toch gaat Plasterk het leeuwendeel van zijn maatregelen weer invoeren via de schoolorganisatie: Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs en het afleggen van verantwoording daarover. Plasterk gaat de besturen lastigvallen met ’functiemixen’, ’convenanten’, ’substappen in de ingekorte periodieken’ enzovoorts. Ervaringen uit het verleden hebben ons geleerd dat schoolbesturen dit soort richtlijnen eenvoudig weten te vertalen naar maatregelen die weinig kosten. Niet omdat ze het slecht voor hebben met de leraren, maar omdat ook zij veel te weinig financiële middelen hebben.
Concluderend moeten we stellen dat Plasterk het geld niet ter beschikking heeft om het lerarentekort echt op te lossen en de politieke durf niet heeft om dit met harde maatregelen te doen. Hierbij wil ik daarom Plasterk oproepen om nog eens na te denken en tot maatregelen te komen die het onderwijs wel zullen redden. Dat is pure noodzaak. Ook roep ik de media op om rapporten kritisch te bestuderen en naast elkaar te leggen. Dit vergt meer tijd, maar zal zeker ook tot kritischer berichtgeving leiden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.