Onvruchtbare stellen hebben binnenkort een nieuwe kans op een kind: embryodonatie. De behandeling is technisch eenvoudig, maar nog met veel psychologische en ethische vragen omgeven.
Nooit moeder of vader worden, nooit een naam verzinnen, nooit rondsjouwen met je eigen baby in een buggy. Ongewenste kinderloosheid is een groot verdriet, zo is al lang bekend. En zo benadrukt ook Marinus Crooij, directeur en gynaecoloog van Medisch Centrum Kinderwens in Leiderdorp: „Een kinderwens is vaak heel diep geworteld.”
Naar verwachting nog dit jaar beginnen Crooij en zijn collega’s met een behandeling die onvruchtbare stellen een nieuwe kans biedt op een kind: embryodonatie, ook wel embryoadoptie genoemd. Hierbij worden andermans embryo’s – die zijn overgebleven en ingevroren na een succesvolle ivf-behandeling – ingeplant bij de wensmoeder. Technisch gaat dit niet veel anders dan bij een ’gewone’ ivf-behandeling. De kans op zwangerschap ligt tegen twintig procent.
Het kan dus, en het mag allang: in de Embryowet uit 2002 staat dat het is toegestaan om geslachtscellen en ook embryo’s weg te geven ’ten behoeve van de zwangerschap van een ander’. Toch is er, naast Medisch Centrum Kinderwens, op korte termijn waarschijnlijk geen andere fertiliteitskliniek in Nederland die zich aan embryodonatie waagt.
In het St. Elisabeth Ziekenhuis in Tilburg zijn wel twee artsen er hard over aan het nadenken, sinds ze een keer met een verzoek werden geconfronteerd. Dat zijn gynaecoloog Rob Bots en arts-microbioloog Marcel Peeters. Zij doen jaarlijks zo’n 1150 ivf-behandelingen. Dik een kwart daarvan is zo succesvol, dat er embryo’s kunnen worden ingevroren. De meeste daarvan gebruiken stellen later zelf, bij een poging om een nieuwe zwangerschap te creëren. Maar elk jaar worden ook zo’n honderd embryo’s op verzoek van de ’eigenaars’ vernietigd, bijvoorbeeld omdat hun gezin inmiddels compleet is.
En dat is jammer, vinden Bots en Peeters, die binnen de muren van hun eigen ziekenhuis na zorgvuldige afweging embryodonatie wel mogelijk willen maken. Twee van hun cliënten overwegen momenteel om hun ’restembryo’s’ weg te geven aan andere paren met een kinderwens. Bots vindt hun altruïsme ontroerend: „Zij redeneren: we zijn zo blij met onze kinderen, dat gunnen we anderen ook.”
Mochten deze twee paren echt tot donatie besluiten, dan zouden Bots en Peeters met hun embryo’s graag vrouwen blij maken die bijvoorbeeld door een vervroegde overgang zelf geen eicellen meer hebben. Of die een ernstige, erfelijke ziekte hebben. In het St. Elisabeth Ziekenhuis moet het concept nog door de ethische commissie en de raad van bestuur worden besproken. „We zitten hiermee aan de grens van wat ethisch gebruikelijk is”, erkent Bots.
Hoe is het voor een kind om genetisch niet op zijn ouders te lijken? Is het voor de adoptieouders moeilijker om zich aan dit niet-biologische kind te hechten? En hoe is het voor donorouders om te weten – of te moeten raden – dat er ergens in Nederland een compleet biologisch kind van hen rondloopt?
Op al dit soort vragen moeten Nederlandse ethici en psychologen nog antwoorden zien te vinden. En dat zal niet meevallen, want er is nog nauwelijks onderzoek naar gedaan. Ook niet in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, waar embryodonatie al zo’n vijftien jaar praktijk is, zij het op kleine schaal. In Groot-Brittannië worden jaarlijks enkele tientallen kinderen geboren uit een gedoneerde embryo.
Eén – kleinschalig – Engels onderzoek, waarvan de resultaten vorige maand in het Amerikaanse tijdschrift Journal of Family Psychology werden gepubliceerd, geeft enig inzicht. De onderzoekers vergeleken 21 gezinnen met een jong ’embryodonatiekind’, met 28 gezinnen met een adoptiekind, en 30 gezinnen met een kind dat werd geboren via ivf.
„We hebben gekeken naar de ontwikkeling van het kind en de ouder-kind-relatie”, zegt psychologe Fiona MacCallum, verbonden aan de universiteit van Warwick in Coventry. „En we vonden eigenlijk nauwelijks verschillen tussen de gezinnen.” Adoptieouders, ivf-ouders en embryoadoptieouders, ze hebben allemaal een ongeveer even sterke band met hun kinderen. Genetische verwantschap lijkt die band dus niet te beïnvloeden.
De Engelse kinderen – in leeftijd tussen de 2 en 5 jaar – doen het over het algemeen goed, net als hun ouders. Wel zijn ouders van een kind uit embryodonatie iets vaker overbezorgd, zegt MacCallum: „Ze vinden het bijvoorbeeld moeilijker hun kind bij anderen achteren te laten.”
Deze extra betrokkenheid zou het gevolg kunnen zijn van het medische traject dat embryoadoptieouders achter de rug hebben. Dat duurde gemiddeld vijftien jaar en na zo’n lange tijd wachten, hopen en dokteren is een kind natuurlijk een heel kostbaar bezit.
Eén uitkomst van het Engelse onderzoek is opmerkelijk: slechts een derde van de embryoadoptieouders is van plan om hun kind over zijn biologische afkomst te vertellen. Bij ouders van een ivf- of adoptiekind ligt dat anders: het overgrote deel is juist wél open over de manier waarop hun kind bij hun gezin terecht is gekomen.
Mogelijk houden ouders embryoadoptie liever geheim, omdat er nog een taboe op rust, zegt MacCallum. „Ouders zijn bang voor nare reacties uit hun omgeving en voor de reactie van het kind. Ze vrezen dat het zich van hen af zal keren.” Of die vrees is gegrond, is de vraag. „Bij onderzoek onder mensen die via spermadonatie zijn geboren, blijkt dat zij bijna altijd de vader die hen heeft opgevoed, als vader blijven zien. Ze zijn wel nieuwsgierig naar die andere man, maar dat is het”, aldus de Engelse psychologe.
Het Engelse onderzoek geeft dus een eerste indicatie van het welbevinden van embryoadoptieouders en hun kinderen. Maar er blijven nog veel vragen onbeantwoord. Hoe zullen de kinderen bijvoorbeeld straks, als ze in de puberteit zijn, reageren op het nieuws dat hun ouders niet hun biologische ouders zijn? En als ze dat nooit te horen krijgen, is dat dan erg? Het is interessant voer voor psychologen.
Naar het welbevinden van de donorouders – die via ivf zelf kinderen hebben gekregen – is nog helemaal geen onderzoek gedaan. Potentiële donors staan voor een ingewikkelde afweging: omdat ze zelf vaak ook lang op een kind moesten wachten, begrijpen ze de kinderwens van andere stellen heel goed. Zij zullen om die reden misschien wel geneigd zijn om hun overgebleven embryo’s weg te geven. Maar die keuze heeft voor henzelf stevige consequenties.
Het weggeven van zaad, eicellen of embryo’s mag in Nederland niet anoniem: sinds 2004 zijn donoren verplicht om zich te laten registeren. Donorkinderen kunnen die gegevens opvragen vanaf hun zestiende jaar. Besluit een stel tot embryodonatie, dan kan het dus zomaar gebeuren dat er na zestien of twintig jaar ineens een wildvreemde maar genetisch volkomen ’eigen’ jonge man of vrouw op de stoep staat. Een volbloed zus of broer van hun eigen kinderen.
Goed mogelijk is ook dat die onbekende biologische zoon of dochter zich nooit meldt, omdat zijn adoptieouders hem niet over de embryodonatie hebben verteld. En optie nummer drie is dat de embryo’s, ingebracht bij een onbekende vrouw, nooit tot een levend kind zijn uitgegroeid. De donorouders zullen het misschien niet weten, en met die onzekerheid moeten ze leven. Het is nog maar de vraag hoeveel stellen daartoe bereid zijn.
Het Is niet niks, embryodonatie, daar zijn ook de Tilburgse artsen zich van bewust. „We zeggen niet: we doen dit blind. Nee, we willen embryodonatie met de uiterste zorgvuldigheid omgeven”, aldus gynaecoloog Bots. Mochten zij groen licht krijgen, dan zullen donor- en adoptieouders uitgebreid worden gescreend, op fysieke gezondheid en psychologische draagkracht.
Ethische bezwaren zien Bots, Peeters en hun collega Marinus Crooij uit Leiderdorp niet. In vergelijking met ’gewone’ adoptie (van een al bestaand kind) heeft embryoadoptie een groot voordeel, benadrukken de artsen: de kans op hechtingsproblemen is klein, omdat de moeder het kind zelf gedragen en gebaard heeft.
Paren die embryodonatie of -adoptie serieus overwegen, kunnen binnenkort dus waarschijnlijk terecht in Medisch Centrum Kinderwens in Leiderdorp. Maar Crooij wil wensouders wel waarschuwen: er zijn nog nauwelijks embryo's voorradig. „We kunnen dus niet zeggen: u bent morgen aan de beurt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.