De laatste klimaattop betekent een wending ten goede voor de toekomst van de aarde.
In het najaar 2006 kwam Al Gore naar Amsterdam, sprak daar voor een volle VU-aula, ontbeet met topondernemers, schudde Balkenende de hand en gaf wat interviews. Iedereen stond perplex. In oktober 2007 arriveerde Bill Clinton in Rotterdam, deelde daar handtekeningen uit, hield – uit zijn hoofd – een briljante rede voor 300 ondernemers en bestuurders, liet één vraag toe, en was na 6 uur weer vertrokken. In dat ene jaar is de wereld gekanteld. Sinds de VN-klimaattop op Bali staat diezelfde wereld op z’n kop.
Deze morele invloed van Gore en Clinton blijkt inmiddels vele malen groter dan die van hun landgenoot in het Witte Huis. De twee Amerikanen zijn de voorboden van het laatste hoofdstuk in het boek van de vrije markt. Na dertig jaar vrije-markteconomie, en alle destructie die dat heeft gebracht voor natuur en milieu, kan nu het tijdperk van het herstel beginnen.
Op Bali zijn de Verenigde Staten door de knieën gegaan voor de wereldopinie van 150 landen. Tegen die eensgezindheid bleek zelfs de eigen achterban van de regering-Bush, mijns inziens een graaiende multinationale elite, niet meer opgewassen. Want zie wat er is gebeurd.
Dat Bush en zijn politieke geestverwanten zich lang tegen het klimaatverdrag verzetten, had alles te maken met hun visie op economie. Zij menen dat de overheid geen interventies mag doen in de markt. Sinds de econoom Milton Friedman zijn ’Chicago Boys’ over de wereld uitzonden, heeft zich een kleine elite meester gemaakt van de economie, de publieke zaak en de common goods. Hun, sterk door ideologie gekleurde, economische model gelooft in de markt als het enige ordenende principe, waarin voor de overheid (vrijwel) geen plaats meer is.
Dat had grote gevolgen, juist voor het milieu. Op enorme schaal hebben overheden zich de afgelopen decennia wereldwijd aan de vrijemarkteconomie overgeleverd. Duizenden privatiseringen volgden. Zelfs de oorlog in Irak is geprivatiseerd, Amerikaanse multinationals verdienen er miljarden aan.
In deze kringen gelden klimaatmaatregelen als een samenzwering van politici, maatschappelijke organisaties en de wetenschap om de overheid weer aan de macht te helpen, ten koste van de markt. In hun beleving zijn alle waarschuwingen over de opwarming van de aarde slechts een voorwendsel om burgers hun rol af te kunnen nemen van calculerende consument. En voorstellen voor verhandeling van CO2-rechten zijn, nog steeds volgens die beleving, een manier om stiekem miljarden dollars uit het rijke Noorden naar het arme Zuiden over te hevelen, een inkomensherverdeling dus, die marktvreemd en ongewenst is.
In werkelijkheid zijn klimaatmaatregelen goed voor de economie, voor de innovatie en de wereldvrede.
Toen ik zomer 2006 een toespraak hield voor de World Federation of Scientists over klimaatverandering ontstaken enkele Amerikaanse (kern)geleerden in woede: ik had het kapitalisme aangevallen. In werkelijkheid had ik het woord niet een keer genoemd, maar men hoorde het ondergrondse geluid van het naderende einde, zoals dat op de VN-top op Bali nu luid is verkondigd. Daar hebben we, voor het eerst sinds de vredesbesprekingen aan het eind van de Tweede Wereldoorlog op Jalta, een eensgezinde wereld gezien. Een wereld die zich niet meer laat leiden door praatjes over vrije markt, privatisering en vrijhandel, maar door bezorgdheid, eensgezindheid en solidariteit.
Al Gore heeft het steeds weer herhaald: het gaat in de discussie over de toekomst van de aarde om moraliteit. De vrije markteconomie van de Chicago School is immoreel en heeft geleid tot het verlies van het publieke domein en een vergrote kloof tussen arm en rijk. In de kranten staan berichten over graaiende topbestuurders naast het nieuws over een dreigende, wereldwijde voedselcrisis. Het is waar ook de Amerikaanse publiciste Naomi Klein op wijst in haar schitterende boek The Shock Doctrine, een aanklacht tegen de manier waarop de vrije-markteconomie is opgedrongen aan ontwikkelingslanden.
Toen ik naar de toespraak van Clinton zat te luisteren hoorde ik echo’s van het het verhaal van de Club van Rome uit 1972, een gezelschap waar ik zelf destijds lid van was. Ook wij waarschuwden al voor voedseltekorten, eindige grondstoffen en voorraden. De zorgen van toen worden anno 2007 uitgedrukt in exploderende prijzen voor olie, hout, tarwe, mais en water(!), een milieuramp (klimaat), en miljoenen mensen op drift vanwege oorlogen die om deze schaarsten worden uitgevochten.
Toch moet ik nog steeds verhalen aanhoren dat diezelfde Club van Rome die zich zo ’vergist zou hebben’. Hoe dan? Waarin? De critici hebben ons rapport nooit gelezen, zo blijkt steeds weer.
Dit is een hartekreet geworden. Een kreet die grimmig is, dat besef ik ten volle, maar ook berustend en optimistisch. Grimmig, omdat het verhaal dat wij als Club van Rome in 1972 al vertelden zo overduidelijk wordt naverteld. Zie je wel, denk ik dan, wij hadden gelijk.
Berustend, omdat het klaarblijkelijk 35 jaar moet duren alvorens zo’n boodschap overkomt. Al in 1993 heb ik in de Erasmuslezing het Chicago-misbaksel gehekeld, en alle columnisten en politici vielen over mij heen: de vrije markt, meneer Van Dieren, gaat juist de wereld redden!
Toch ben ik ook optimistisch. De afgelopen maand is op de klimaattop op Bali gebleken dat moraliteit en het gevoel van de global village het kunnen winnen van Wall Street, Pentagon, Witte Huis en Texas. Aan de Amerikaanse politici Gore en Clinton hebben we veel te danken.
Alles rond het klimaat was in 2007 een hype. Die zal wel weer overgaan, maar het gewonnen terrein moeten we niet meer prijsgeven. Er is een nieuwe generatie jonge ondernemers opgestaan die deze planeet een hernieuwd aanzien zal geven. Duurzame ondernemingslust, wetenschap, verantwoordelijkheid. Daar gaat het nu om.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.