Wie klimaatneutraal wil eten moet in ieder geval rundvlees laten staan, schreef wetenschapsredacteur Joep Engels afgelopen maandag. De oplettende lezer trof precies onder zijn betoog de rubriek Recept, met een smakelijke bereiding van ossenhaas in rode wijnsaus.
Om je vingers bij af te likken. Maar door Joeps betoog kreeg die ossenhaas een vreemde bijsmaak. Wat wil Trouw nou: moeten we stoppen met vlees eten of aan de slag met die ossenhaas?
Het gemakkelijke antwoord is: Trouw wíl helemaal niks. De krant is van alle markten thuis, we serveren klimaatneutrale schotels én krachtig rundergebraad. Het is aan de lezer om te bepalen wat hem het beste smaakt.
Het moeilijke antwoord luidt: het is goed te beseffen wat we aanrichten met ons gedrag, ook als het om eten gaat, maar dat betekent niet dat we nooit meer van een stuk vlees kunnen genieten.
Klimaatneutraal is in korte tijd een toverwoord geworden. Klimaatneutraal wonen, klimaatneutraal vliegen, klimaatneutraal van een biertje genieten op een verwarmd Amsterdams terras. Meestal komt het erop neer dat we gewoon kunnen doen wat we altijd deden, maar dat er wat extra bomen worden geplant om de broeikasgassen, die we daarmee in de lucht brengen, weg te vangen. Als we niet uitkijken, loopt dit uit op nonsens. Een stad als Amsterdam die nu ineens terrasverwarming wil toestaan als de horeca maar klimaatcompensatie betaalt, spant het paard achter de wagen. Eerst de nachtelijke hemel verwarmen en het dan goedmaken met de aanplant van een paar bomen, is als een aflaat voor de zonde die niet begaan had mogen worden.
Nee, de mens moet zijn gedrag veranderen. Helemaal juist, maar voor we van de consument verlangen dat hij klimaatneutraal eet, moeten we zorgen dat hij dat kan doen zonder meteen vegetariër te worden. Je krijgt de mens niet zomaar van zijn lapje vlees af, zoals Sander Becker elders in deze Verdieping uitlegt.
Voor we het vlees zelf in de ban doen, moeten we kijken naar de manier waarop het wordt geproduceerd. De omzetting van plantaardig in dierlijk eiwit, doorgaans veemesten genoemd, is een inefficiënt proces; er gaat veel voedingswaarde verloren. Maar we maken het veel erger door het voer voor de beesten van de andere kant van de wereld te halen. En door de gemeste en geslachte dieren naar elders te brengen voor consumptie.
Wij hebben thuis een eierman aan de deur. En die brengt regelmatig boerderijkipjes mee; mooie kleine kippen die zo te proeven een kort maar gelukkig leven hebben gehad. Maar die kipjes heeft hij nu niet meer. „Ik kan ze alleen nog maar krijgen als ik twee keer zoveel betaal”, zei de eierman deze week. „Ze worden voor een betere prijs aan Azië verkocht. Dat is voor mij geen leuke handel meer, meneer.”
Kijk, als de wereldbevolking zo hard blijft groeien als zij nu doet, komt er een moment dat we definitief moeten overstappen van dierlijke op plantaardige eiwitten. Maar laten we eerst afspreken dat de Chinees zijn eigen kippen grootbrengt, dat wij ons rundvlees niet uit Ierland halen en het voer voor onze varkens niet uit Brazilië. We moeten terug naar producten van eigen bodem. En omdat de kosten van transport zeker zullen stijgen, dwingt ook de economie ons daartoe. Als we alleen nog de beesten eten die we hier ter plekke fokken en mesten, en ook zelf hun voer verbouwen, is al veel gewonnen. Dan heeft die ossenhaas veel minder bijsmaak. Bij mij zal er in de rode wijnsaus overigens flink peper gaan. Ook die moet van ver komen, maar ik hou er zo van.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.