De geest van Piet Lieftinck lijkt vaardig over de onderhandelaars van CDA, PvdA en ChristenUnie nu zij van plan zijn een ‘realistisch’ in plaats van behoedzaam begrotingsbeleid te voeren.
Dat betekent een breuk met een belangrijk onderdeel van de Zalm-norm, waar Lieftinck in zijn graf waarschijnlijk met een glimlach kennis van heeft genomen.
Deze eerste naoorlogse minister van financiën, een doorbraaksocialist net als de vader van PvdA-leider Bos, leverde eind jaren tachtig in zijn memoires fundamentele kritiek op de gewoonte in de politiek het financieel-economische beleid in het keurslijf van een norm te persen. Je mag je als bestuurder niet bij voorbaat zo vastleggen, schreef hij, omdat je dan niet meer zoekt naar het juiste evenwicht en daarmee de morele dimensies van beleidskeuzen naar de achtergrond plaatst. Het opzetten van een begroting, het telkens opnieuw maken van afwegingen, is een kunst, vond Lieftinck. Maak je er een automatisme van, dan leg je de problemen buiten jezelf. Dat kan niet. Je moet steeds de worsteling aangaan.
De liberaal Gerrit Zalm leek deze boodschap van zijn verre voorganger in de daarop volgende jaren te logenstraffen. De begrotingsregels die hij bij zijn aantreden in 1994 invoerde, bleken aanvankelijk een succes. De strikte scheiding tussen inkomsten en uitgaven bracht in combinatie met behoedzaam ramen een ongekende begrotingsrust, wat na de langdurige en bittere gevechten in het kabinet-Lubbers/Kok een verademing was, en pakte ook economisch goed uit. Doordat de groei telkens hoger was dan de raming ontstonden er logischerwijs grote meevallers in de belastinginkomsten. Deze extra inkomsten werden volgens afspraak voor de ene helft teruggesluisd naar de burgers en het bedrijfsleven en voor de andere helft aangewend voor de reductie van het financieringstekort.
Dat had een gunstig effect op de consumptie, de werkgelegenheid en de overheidsfinanciën, maar gaandeweg begon ook de perverse werking van de Zalm-norm door te dringen. Behoedzaamheid is geen slechte eigenschap voor een minister die de schatkist beheert, maar tussen de ramingen en de werkelijkheid moet wel een redelijke verhouding bestaan. Zalm raamde doelbewust laag, waardoor zijn regels functioneerden als een politiek-ideologisch instrument, meer dan als een middel om de economie te beïnvloeden. Deze krant vergeleek de norm destijds met een liberale gokkast, die maar automatisch geld bleef storten in de portemonnee van burgers. Dat ging gewoon door toen het economisch niet meer nodig was en zelfs averechtse effecten sorteerde, terwijl er politiek steeds meer voor te zeggen viel de uitgaven voor publieke voorzieningen op te voeren.
Vanuit democratisch oogpunt werkte de Zalm-norm zonder meer pervers. Doordat de besteding van de meevallers vastlag, had de Tweede Kamer er geen enkele invloed op, hoewel het om miljarden en miljarden euro’s (toen nog guldens) ging. Dat betekende een ernstige uitholling van het budgetrecht van de Kamer, nota bene de uitdrukking van het oerprincipe van de parlementaire democratie, No taxation without representation, geen belasting zonder vertegenwoordiging.
In dat licht is het verbazingwekkend dat een democratische scherpslijper als D66-leider Pechtold deze week de breuk met de Zalm-norm kritiseerde. Zijn partijgenoot Bert Bakker sputterde destijds nog richting premier Kok dat ‘behoedzaamheid mooi is, maar niet ridicuul moet worden’. Dat had toen al steviger gemogen.
Het is niet overdreven een verband te leggen tussen de Zalm-norm en de Fortuyn-revolte. Niet alleen lokten de paarse belastingverlagingen burgers uit zich als kleine, behoudzuchtige kapitalisten te gedragen, ook ontstond er gaandeweg een wanverhouding tussen private rijkdom en publieke armoede. PvdA-leider Melkert zette dit thema in 2000 onder het tweede kabinet-Kok op de politieke agenda, maar Fortuyn sloeg er in 2002 electorale munt uit.
Hadden de kabinetten-Kok de waarschuwende woorden van Lieftinck ter harte genomen, dan hadden zij de scheefgroei tussen de particuliere welvaart en het achterblijvende peil van de gemeenschapsvoorzieningen tijdig kunnen corrigeren. Door strikt vast te houden aan de Zalm-norm ontnamen de paarse politici zich echter de mogelijkheid van een tussentijdse afweging van de beleidskeuzen en legden zij, zoals Lieftinck schreef, de problemen buiten zichzelf. CDA-leider Balkenende heeft eind jaren negentig nog krachtig aangedrongen op bijstelling van de norm: meer aflossing staatsschuld, minder belastingverlaging. Maar dat was vergeefs; hij zat er, net als de hele Kamer op dit punt, voor spek en bonen bij.
De VVD heeft het Melkert destijds kwalijk genomen dat hij met zijn gehamer op de publieke armoede het paarse beleid in een negatief licht plaatste. Daarvan kon Fortuyn later profiteren met zijn aangezette beeld van de ‘puinhopen van Paars’. De liberalen hadden in zoverre gelijk dat Melkert het bij kritiek liet en daar geen politieke consequenties aan verbond. Pas in het voorjaar van 2006 nam Wouter Bos voor het eerst duidelijk afstand van dit begrotingsbeleid. Economisch slaat het nergens op, zei hij, maar politiek past een beleid van belastingverlaging in combinatie met beteugeling van de uitgaven in de agenda van liberalen en conservatieven om de overheid te verkleinen. Dat kon Kok alsnog in zijn zak steken.
Lieftinck schreef dat besturen in zijn geest een kunst is die om sterke persoonlijkheden vraagt, die zich niet hoeven te verschuilen achter een norm. In zijn ogen mocht dat niet, omdat het morele aspect bij het maken van afwegingen in iedere tijd en situatie weer anders is. Je moest dus steeds weer de moeilijke worsteling aangaan. Balkenende, Bos en CU-leider Rouvoet hebben in die richting een stapje gedaan. Er is pas sprake van een stap als zij volgende week een beknopt akkoord op hoofdlijnen zouden presenteren dat getuigt van vertrouwen in eigen kracht en creativiteit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.