*

 

van Nijnatten / De perfecte jeugdzorg bestaat niet (opinie)

door Carol van Nijnatten − 04/01/07, 23:38

De jeugdzorg kan veel beter. Maar de vrijheid van ouders om hun kind naar eigen inzicht op te voeden laat ruimte voor gruwelijkheden.

Opvallend aan de commotie over recente jeugdzorgdrama’s is dat de volkswoede zich primair keert tegen de jeugdzorg en niet tegen de ouders die hun kind het leven hebben ontnomen. Zijn we misschien bang voor het antwoord op de vraag waarom ouders zoiets verschrikkelijks doen? Als we zouden toegeven dat ouders hun kinderen kunnen doden, moeten we ook zelf in de spiegel kijken en voelen we ons misschien wat minder gemakkelijk in onze rol als ouder. We geven de schuld liever aan de jeugdzorg die niet heeft voorkomen dat ons ideaal van de perfecte samenleving waarin het kwetsbare wordt beschermd ongeschonden blijft.

Maar het ideaal van de perfecte samenleving is een illusie. Een kinderlijke illusie van pogingen het goede te behouden en het kwade af te splitsen. Een rivaliserende samenleving, wakkert kinderlijke splitsingen aan, zoals president Bush die de wereld verdeelde in de verlichting van democratie en vrijheid, en de duisternis van terrorisme en tirannie. Dergelijke splitsingen leiden tot paranoïde reacties van mensen die zich van elkaar afwenden in de hoop het kwaad uit te bannen (vreemdelingenhaat). De woedende reacties op de jeugdzorg komen voort uit dezelfde soort paranoïde complexen.

De jeugdzorg probeert op haar beurt iedereen ervan te overtuigen dat alles gedaan wordt die perfectie alsnog te bereiken, bijvoorbeeld om door benchmarking het kaf van het koren te scheiden. Om zich te handhaven moeten instellingen gecertificeerd zijn en met bewezen effectieve programma’s werken. Ik vrees dat het vooral ook tot rivaliteit zal leiden en tot een overlevingsmentaliteit waarbij het goede moet worden behouden en het slechte in het verdomhoekje verdwijnt.

Het heeft in ieder geval al geleid tot een monomane onderwerping aan de vraag: ’What Works?’. Men kan zich moeilijk neerleggen bij het feit dat de sociale wetenschappen en instellingen geen pasklaar antwoord hebben op de onvoorspelbare realiteit. De dagelijkse werkelijkheid van cliënten is weerbarstiger dan de modernste welzijnsprogramma’s.

Die onvoorspelbaarheid hangt samen met het open karakter van de Nederlandse samenleving en opvoedingsvrijheid. Westerse samenlevingen hebben een regime van geleide pedagogiek; ouders mogen hun kinderen naar eigen inzichten opvoeden binnen uiterste door de staat aangegeven grenzen. Komen de ouders daarbuiten dan grijpt de kinderbescherming in. We moeten er toch niet aan denken dat de overheid ons zou voorschrijven hoe onze kinderen groot te brengen. Jeugdzorgwerkers worden gewaarschuwd niet te betuttelend te zijn en het initiatief aan de cliënt te laten. Maar een pluralistisch model van vrijheid van opvoedend handelen is onduidelijk over waar precies de grens van het toelaatbare ligt. Dat is de moeilijke positie van de jeugdzorg; zij moet de vrijheid van ouderlijk handelen vooropstellen en tegelijkertijd bezien of de opvoedingspraktijken niet buiten de perken gaat. Grijpen ze te vroeg in dan zijn de poppen aan het dansen, grijpen ze te laat in, dan ook. Bij ieder gezinsdrama wordt achteraf bepaald dat professionals toch hadden moeten weten dat.... Wat vooraf ambigu was, is achteraf zonneklaar; dat die domme professionals toch zo kunnen miskleunen. Zelfs bewindslieden hebben de jeugdzorg opgeroepen kinderen eerder uit huis te plaatsen. Wat kan de jeugdzorg met deze gemeenplaatsen? De heksenjacht op wankele ouders openen?

Jeugdzorgwerkers moeten zoals alle professional kritisch op hun handelen worden beoordeeld. In fatale situaties is onderzoek nodig of procedures juist zijn gevolgd en of adequaat is gehandeld. Evaluatie van jeugdzorgprogramma’s kan nuttig zijn. Zeker zo belangrijk is het herstel van een professionele werkomgeving. Niet een omgeving waarin het ene programma het wint van het andere en enkel de vraag wordt gesteld wat werkt, maar het streven naar het best mogelijke. Niet ’What Works?’ maar ’What can we do?’

Dat pleit bijvoorbeeld voor de terugkeer van supervisie. De professionele ervaring in het primaire proces wordt node gemist. Juist de oude rotten weten dat de perfecte zorg niet bestaat en dat je desondanks veel kan betekenen. Zij beheersen niet door risicomanagement maar gaan de ingewikkelde confrontaties tussen jonge jeugdzorgwerkers en treurige gezinssituaties aan. Die ervaring is uit de projectmatige jeugdzorg nagenoeg verdwenen. Weinig jeugdzorgwerkers zijn aangesloten bij een beroepsvereniging met een beroepsregister en tuchtrecht. Directeuren nemen personeel aan dat zich niet professioneel heeft georganiseerd.

Er is nog veel te verhapstukken in de jeugdzorg. Het kan allemaal veel beter. Maar de volkswoede, de tendentieuze berichtgeving en zelfs de oneliners van bewindslieden zeggen alle meer over de naïeve hang naar perfectie dan over de kwaliteit van de jeugdzorg. Het is blijkbaar moeilijk onder ogen te zien dat de vrijheid van ouders hun kinderen naar eigen inzichten te mogen grootbrengen een groot goed is maar ruimte laat voor gruwelijkheden.

Dichtte Vasalis immers niet de vrijheid van een grote liefde „die plaats voor wanhoop laat en twijfel en gemis”?


Carol van Nijnatten is bijzonder hoogleraar maatschappelijk werk Radboud Universiteit Nijmegen / Universiteit Utrecht

mailIcon print |