Nederland is verdeeld, en hoe moet het daarmee verder? Met die vraag in het achterhoofd blikken drie scribenten op de Podiumpagina terug op het afgelopen jaar.
De laatste bijdrage gaat over hoe de het kabinet straks verder dan de eigen landsgrenzen kan kijken.
Het beeld is in 2006 gevestigd dat Nederland aan tweespalt lijdt en onzeker is. Peilingen lijken de dagkoersen van deze onzekerheid te zijn en een zeker navelstaren is geboren. Angst leek voor veel politici een raadgever, zij schermden met zekerheden die in het geding zouden zijn. En zie daar: de flanken op het politieke speelveld groeiden. Het midden verloor terrein.
Het politieke midden loopt daarbij over landsgrenzen heen hetzelfde risico. Het risico zich een slag in de rondte te werken om concrete korte termijnbelangen veilig te stellen: de koopkracht, het ontslagrecht, de huurprijzen. Tegelijkertijd is er het gevaar dat men op de grote maatschappelijke vraagstukken met retoriek reageert. Men heeft het over het sociaal inbedden van de globalisering, over het vergroten van het onderlinge respect tussen religies of ’de boel bij elkaar houden’. Beide reacties overtuigen namelijk niet.
De intuïtie van mensen is immers vaak scherp. Zij verwachten politici die structuur in hun zorgen kunnen aanbrengen, die creatief en tegelijkertijd tegendraads durven te zijn. Het populisme en de defensieve reacties overbieden met veelbelovende concepten – daar komt het op aan. Dat is ook wel degelijk mogelijk.
Neem de vergrijzing. Werknemers worden gemiddeld genomen ouder en voor hun gevoel minder kansrijk op de arbeidsmarkt. Het is voor werkloze ouderen een hell of a job om een baan te vinden. Maar ondertussen ontstaan er ook enorme personeelstekorten. Met spiegels en kraaltjes proberen instellingen aan personeel te komen. Er is dus een flink aansluitingsprobleem. Toch bestaat het gevoel dat de overheid de vergrijzingsproblematiek vooral in financiële termen vangt. Dit ontneemt het zicht op de bedreigingen èn kansen die de arbeidsmarkt begint te bieden. Bedreigingen, want het grootste probleem van de vergrijzing ligt juist bij de personeelstekorten vanweg de kleiner wordende beroepsbevolking. Daar lag in 2001 al een fatale misrekening van Paars. Het zwengelde de economie tot het kookpunt aan met lastenverlichting. De loonkosten schoten daardoor echter omhoog. We kwamen in een recessie. Wachtlijsten in de zorg, onbevoegden voor de klas en lesuitval waren het gevolg.
Bij het prille economische herstel dat we nu meemaken, is het direct raak. In de metaal, de bouw, het onderwijs, bij verzekeringsbedrijven en de zorg wordt opnieuw alles uit de kast gehaald om aan geschikt personeel te komen. Hier liggen dus de kansen.
Kansen biedt ook de uitbreiding van Europa. Wat is de zin van het weren van Polen en Roemenen als zij vacatures kunnen opvullen? Sterker nog: juist als we hen buitensluiten, zullen bedrijven het werk dat we zo koesteren gaan verplaatsen. Bedrijven zijn immers niet bereid om de hoge loonkosten in een krappe arbeidsmarkt te betalen en gaan simpelweg werkgelegenheid verkassen. Een defensieve Europa-politiek pakt dus volstrekt averechts uit. Het politieke midden moet daarom met zelfbewustzijn voor een offensieve benadering kiezen: zo nodig tegendraads, maar overtuigend.
De schaarste op de arbeidsmarkt biedt ook kansen voor de niet-Europese migranten, de gezinsvormers en asielzoekers. Het wordt tijd stevig in hen te gaan investeren. Ons land kent een leerplicht voor iedereen die hier geboren wordt. Daar staat een recht op onderwijs tegenover. Maar mensen die hier op wat latere leeftijd binnen komen met taal- en scholingsachterstanden schepen we af met een inburgeringscursus van 600 uur, die zij deels ook nog zelf moeten betalen. Het is hoog tijd om de leerplicht en het leerrecht niet meer van de leeftijd te laten afhangen, maar van de onderwijstekorten die iemand heeft. Wie migranten een onderwijsrecht geeft, levert een bijdrage aan kwetsbare gezinnen, aan wijken, aan de arbeidsmarkt en vermindert het beroep op de sociale zekerheid.
Neem ook het integratievraagstuk. Geert Wilders spreekt over de islam die als een tsunami over Europa en Nederland komt. De politieke elite vraagt om onderling respect. Het ondervangt niet de intuïtieve angst van mensen. Zij voelen aan dat religie gemakkelijk kan omslaan in dwang, fanatisme en zelfs een tegencultuur: zeker als het om een godsdienst gaat die het leven tot in details wil regelen. Juist dan is het belangrijk dat politici weten dat er islamitische landen zijn die de vermenging van moskee en staat actief tegengaan. Turkije heeft met 90 procent moslims juist op dit punt een lange traditie. Het is belangrijk dat politici kennis hebben van moslimtheologen die aangeven dat toewijding aan God vrijheid veronderstelt, dat een afgedwongen geloof niet oprecht en dus abject is.
Juist op dit punt zijn de aanknopingspunten met het christelijk geloof groot. En deze interne religieuze ontwikkeling is hoopgevender dan de eenzijdige voorstelling van zaken van Wilders. Naarmate de islam zelf een basis voor godsdienstvrijheid en tolerantie biedt, valt de intuïtieve vrees voor een Europees strijdtoneel van culturen weg en kan zij een pijler van de rechtsstaat zijn.
Neem ook het debat en de polarisatie over de marktwerking. Wie daarvoor pleit geldt al snel als neo-liberaal en asociaal. Niet elk mens, maar elke euro zou gaan tellen.
Maar dat oude schematische denken blokkeert belangrijke ontwikkelingen. In de zorg mogen sinds vorig jaar zorginstellingen voor een klein deel van de behandelingen zelf hun prijs vaststellen. Die kleine revolutie heeft nu al tot allerlei patiëntvriendelijke initiatieven geleid. Mensen met bijvoorbeeld heupaandoeningen of oogklachten krijgen sneller hulp.
Andere initiatieven krijgen daarentegen nog steeds te weinig ruimte, omdat het centrale budgetteringssysteem in de weg zit. Baarmoederhalskanker is inmiddels sneller, eenvoudiger, vele malen goedkoper en vooral vrouwvriendelijker vast te stellen, met een thuis gemakkelijk te gebruiken nieuwe vinding. Diabetes kunnen hun ogen laten screenen bij de opticien om de hoek en hoeven niet meer naar een oogarts: dit is goedkoper, patiëntvriendelijker en gemakkelijker. Iets soortgelijks geldt voor de nieuwe mammapoli’s. Meer vrijheid en ruimte voor ondernemerschap in de zorg is dus nodig. De centrale sturing blokkeert en het is dom dat zo te houden. Vooral de patiënt heeft baat bij meer vrijheid. Bovendien kijkt ook het buitenland geïnteresseerd naar nieuwe zorgproducten die hier op de markt komen. Dat is goed voor innovatief en exporterend Nederland: in een wereld waarin de zorg een groeisector is.
Neem ten slotte de discussie over het milieu. Alarmerend zijn de berichten over loslatende ijsschotsen, naar Alpentoppen kruipende sneeuwgrenzen en uitdijende gaten in de ozonlaag. Ondertussen rijden ook meer en meer Chinezen en Indiërs in een auto, vragen ook zij om airconditioning en platte tv’s. De macht van de energiegiganten in het Midden-Oosten en van Rusland houdt gelijke tred met die toenemende vraag. Het is beter daar niet te afhankelijk van te worden. Nog een reden om in te zetten op alternatieve energiebronnen. Dat geldt niet alleen voor Nederland. Energie en energiebesparing horen mondiaal tot de groeimarkten van de toekomst. Juist een land dat vanwege zijn bevolkingsdichtheid extra problemen kent, kan expertise ontwikkelen.
Zo deden we dat ook met het water. Daardoor is waterbeheer een exportproduct van jewelste. Nederland blijft echter teveel steken in discussies over meer of minder wegen, in debatten over kilometerheffingen en milieuregels. Dit terwijl een offensieve benadering nodig is. Maar wie ooit op brandstofcellen wil gaan rijden, moet er wel voor zorgen dat er tankstations voor waterstof zijn. Wie waterstof schoon wil produceren, moet zorgen voor centrales die CO2 afvangen en opslaan en – beter nog – gaan investeren in zonne-energie. Wie betaalbare brandstofcellen wil, moet zorgen dat er een markt en volume ontstaat. Dan gaan de kosten naar beneden. Dat vraagt om meer dan kruimelwerk met subsidies en heffingen.
Er moeten markten worden gecreëerd voor schoon rijden. Wie energieneutrale woningen wil, moet de Vinex-locaties daarop inrichten. De huizenbezitter is daarmee gediend, want de energierekening keldert. De kost gaat hier voor de b aat uit, maar dat vraagt wel om doortastende politiek. Er ligt al met al een unieke kans om innovatie te koppelen aan maatschappelijke doelen, om markten te creëren voor duurzame producten. Naar die producten zal opnieuw in het buitenland meer en meer vraag zijn. Nederland kan voorop lopen en bovendien de angst voor milieuproblemen verminderen.
Een politiek die op deze agenda mikt, laat zien dat zekerheid op een offensieve manier veilig valt te stellen. Het navelstaren kan het politieke midden dan overlaten aan partijen op de flanken, want het zal het populisme weten te overbieden met geloofwaardige concepten en visies. Dat geldt voor Nederland én voor Europa.
Ab Klink en Elisabeth den Otter zijn respectievelijk directeur en medewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.