Wie ziek is en huishoudelijke hulp nodig heeft, klopt voortaan aan bij de gemeente. Maar zie door het woud van regels maar eens de weg te vinden.
Het huidige (vorige?) kabinet heeft ondernemers beloofd om iets te doen aan doorgeschoten regelgeving. Er kwam een wetsvoorstel met de wat aanmatigende titel ’Wijzigingsplan Paarse Krokodil’, een verwijzing naar een reclamespotje over gekmakende bureaucratie.
Maar ondertussen gaat de administratieve lastenverzwaring voor de burger gewoon door. Een goed voorbeeld is de overheveling van de huishoudelijke hulp naar de gemeenten per 1 januari. Door de invoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) gaat ook het persoonsgebonden budget (PGB) voor huishoudelijke hulp over naar de gemeenten. Dit betekent een administratieve lastenverzwaring voor burgers op vier fronten.
In de eerste plaats zullen mensen met een persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp geïnformeerd moeten worden over de wijzigingen. Gezien de doelgroep (veelal kwetsbare ouderen) is dit geen sinecure. De gemeenten moeten de deskundigheid op dit terrein bovendien nog opbouwen. Zij houden zich nu met andere issues bezig, zoals de aanbesteding van de reguliere thuiszorg, waarvoor het PGB het alternatief vormt.
In de tweede plaats hebben de mensen om wie het gaat vaak zowel huishoudelijke hulp als andere zorg. Volgens cijfers van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) ontvangen 90.000 mensen een persoonsgebonden budget. Een kwart van hen heeft naast huishoudelijke hulp ook een PGB voor bijvoorbeeld verpleging, activering of ondersteuning. Zij krijgen dan te maken met twee regimes: twee keer een toekenningsbeschikking, twee keer een verantwoording en twee keer een eindafrekening. En met twee verschillende budgettoekenners: naast het zorgkantoor, dat tot dusver verantwoordelijk was voor het PGB (op basis van de AWBZ), krijgt men ook te maken met de gemeente.
De huidige (vorige?) staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport stuurt aan op een zo groot mogelijke lokale beleidsvrijheid voor gemeenten. Binnen de kortste keren gaat het WMO-regime dus uit de pas lopen bij het AWBZ-regime. Ook voor bijvoorbeeld de bekostiging zal dit gelden: er zijn al gemeenten gesignaleerd die het tarief voor het persoonsgebonden budget baseren op het tarief dat de uitkomst is van de aanbesteding – dus een forse verlaging ten opzichte van het huidige tarief. En sommige gemeenten laten daar (net als onder het AWBZ-regime) nog een korting van 30 procent op los, omdat de persoonsgebonden ’budgethouder’ als werkgever geen overhead zou hebben.
Voor de mensen om wie het gaat betekenen de nieuwe maatregelen ook om een derde reden lastenverzwaring. Wie een persoonsgebonden budget ontvangt en daarnaast ook nog werkgever is, verliest de automatische aanspraak op ondersteuning. Nu kunnen zij zich nog voor ondersteuning bij salarisadministratie, loondoorbetaling bij ziekte en overige werkgeversverplichtingen wenden tot het SVB Servicecentrum PGB, dat bekostigd wordt door het College voor Zorgverzekeringen. Maar onder de WMO zijn de gemeenten verantwoordelijk. Alleen als een gemeente dat zelf wenst, zal deze een contract sluiten met het SVB Servicecentrum PGB. En aangezien deze dienstverlening niet kosteloos is, zijn er heel wat gemeenten die hiervoor op korte termijn een besparing inboeken. Er zijn ook gemeenten die deze besparing doorgeven aan hun burgers door hen een iets hoger budget toe te kennen. Wat die burger moet doen als zijn hulp zich zwaar overspannen ziek meldt en voorlopig ook niet terug is (verplichte loondoorbetaling bij ziekte maximaal twee jaar en noodzaak om een vervangende hulp in te schakelen – van welk budget?) vertelt het verhaal niet.
En tot slot zijn er nog tal van aanpalende problemen, die zorgen dat de nieuwe regeling een flinke lastenverzwaring is voor burgers. Zo mogen de gemeenten zelf de indicatiestelling voor de huishoudelijke hulp vormgeven. Tot nu toe deed het onafhankelijke Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) dat. De gemeente kan het CIZ inschakelen, maar dit hoeft niet. Dit kan betekenen dat de oudere die hulp nodig heeft met twee verschillende indicatieregimes te maken krijgt.
Gelukkig zijn er ook nog een paar lichtpuntjes: door de nieuwe regeling Dienstverlening aan huis krijgen vanaf 1 januari degenen met een persoonsgebonden budget minder vaak met werkgeversverplichtingen te maken. Slechts als hun hulp meer dan drie dagen in de week voor hen werkt, moeten zij sociale verzekeringpremies en loonbelasting afdragen. Nu ligt die grens bij twee dagen. Wel geldt ook hier nog dat als een hulp die op basis van een arbeidsovereenkomst is aangenomen ziek wordt, het loon maximaal zes weken moet worden doorbetaald. Ook daar zal een spaarpotje voor moeten worden ingericht. Je kunt iemand immers niet zes weken zonder hulp laten zitten.
Er zijn al ruim 170 gemeenten die besloten hebben dat hun burgers ook onder de WMO recht hebben op ondersteuning van het SVB Servicecentrum PGB. De Vereniging Nederlandse Gemeenten en het ministerie van VWS stimuleren dit ook.
Ten slotte heeft de (oude) Tweede Kamer in een motie van de Kamerleden Verburg (CDA) en Van der Sande (VVD) aangedrongen op een proef met een ’participatiebudget’. Daarmee zouden alle versplinterde regelingen op het terrein van zorg, hulp, begeleiding, hulpmiddelen en voorzieningen op termijn weer kunnen worden samengevoegd tot één regeling. Eerst versplinteren en daarna weer integreren – het lijkt een onontkoombaar proces.
Rob van Eerde is beleidsadviseur bij de Sociale Verzekeringsbank. Hij schreef deze bijdrage op persoonlijke titel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.