*

 

De heks en haar inquisiteurs

door Pascal Bruckner − 02/02/07, 20:48

De kritiek van westerse intellectuelen op een rebelse geest als Ayaan Hirsi Ali laat precies zien waarom het multiculturalisme in feite racisme is, betoogt de Franse filosoof Pascal Bruckner.

Het wil mensen uit andere culturen binnen hun traditie houden en ontzegt ze daarmee de werkelijke vrijheden van onze moderne samenleving.

Het valt niet te ontkennen: de vijanden van de vrijheid komen in de eerste plaats uit de vrije samenlevingen zelf. Voor een deel komen ze uit de verlichte elites, die de rest van de mensheid en zelfs hun eigen medeburgers het genot van democratische rechten willen ontzeggen, als deze de pech hebben tot een andere religie of etnische groep te behoren dan zijzelf.

Wie dit niet geloven wil moet twee onlangs verschenen teksten lezen: het boek van de Nederlands-Britse auteur Ian Buruma over de moord op Theo van Gogh in Amsterdam en de recensie die de Britse journalist en hoogleraar Timothy Garton Ash over dit boek schreef in The New York Review of Books.

Het verslag van Ian Buruma fascineert omdat hij alle protagonisten van het drama schijnbaar onpartijdig aan het woord laat komen. Toch kan hij zijn ergernis over het engagement van Ayaan Hirsi Ali, het (voormalige) kamerlid van Somalische afkomst, maar slecht verbergen. Hirsi Ali was bevriend met Theo van Gogh en wordt zelf met de dood bedreigd. Buruma schaamt zich voor de manier waarop ze kritiek levert op de Koran.

Timothy Garton Ash argumenteert nog grover. Als apostel van het multiculturalisme is hij van mening dat de houding van Hirsi Ali zowel onverantwoordelijk als contraproductief is. Hij is meedogenloos: „Ayaan Hirsi Ali is een moedige, vrijmoedige en licht simplistische Verlichtingsfundamentaliste.’’ Als bewijs voert hij aan dat deze jonge vrouw zich in haar jeugd bij de Moslimbroederschap in Egypte aansloot en nu simpelweg het ene credo voor het andere heeft verruild: het fanatisme van de Profeet voor het fanatisme van het verstand. Deze manier van gelijkschakeling is niet nieuw: de rooms-katholieke kerk gebruikte haar in de negentiende eeuw om hervormingen tegen te houden. In de strijd om de hoofddoek in Frankrijk werd zij door tegenstanders van dit wettelijke verbod ten tonele gevoerd.

In het geval van Ayaan Hirsi Ali, die besneden werd, die tot een huwelijk werd gedwongen, die uit Afrika vluchtte om in Nederland asiel te vinden, is deze beschuldiging op voorhand al verkeerd. In tegenstelling tot Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, heeft zij nooit opgeroepen tot moord om haar ideeën erdoor te drukken.

Haar enige wapens zijn die van de overtuiging, van de weerlegging, van de rede. Ze argumenteert met verstand en niet met pathologische bekeringsdrift. Maar Ayaan Hirsi Ali heeft in de ogen van onze welwillende professoren een onvergeeflijke misdaad begaan: ze vat de uitgangspunten van de democratie serieus op.

Op doortrapte wijze ontzegt Ian Buruma Ayaan Hirsi Ali het recht om zich op Voltaire te mogen beroepen: Voltaire stelde zich teweer tegen een van de machtigste instituten van zijn tijd, de katholieke kerk, terwijl zij genoegen neemt met het aanvallen van een „kwetsbare minderheid in het hart van Europa” (Buruma). Daarbij vergeet hij dat de islam geen grenzen kent. De moslimgemeenschappen in de oude wereld hebben meer dan een miljard gelovigen van verschillende stromingen in de rug. Ze kunnen uitgroeien tot een fundamentalistische voorhoede, of juist tot een verstandige vorm van religiositeit. Dat is geen futiliteit, maar een van de grootste uitdagingen van de eenentwintigste eeuw.

Het is kennelijk niet genoeg dat Hirsi Ali omringd door lijfwachten moet leven. Ze moet ook nog – net als Robert Redeker, de Franse filosoof die op islamitische websites met de dood bedreigd wordt – de spot van hoge heren en bovenmeesters over zich heen laten komen. In Nederland werd ze, zelfs vanuit progressieve hoek, voor nazi uitgemaakt. De historicus Geert Mak vergeleek haar film ’Submission’ met de antisemitische propagandafilm ’Jüd Süß’. Hier treedt een vertrouwd mechanisme in werking: wie in opstand komt tegen de barbarij, wordt zelf voor barbaar uitgemaakt. Zowel in de politiek als in de filosofie komt dit soort parallellie altijd op een afrekening neer.

Als denken betekent: het afwegen van woorden om de wereld op treffende wijze te benoemen, dan getuigt deze parallellie van falend denken. De Verlichting zou dan ook slechts weer een vorm van religie zijn, even idioot en ontoegeeflijk als het katholicisme van de inquisitie of de radicale islam. In het spoor van Heidegger heeft een complete denkschool, van Gadamer tot Derrida, de idee bevochten dat de Verlichting een nieuw tijdperk en een van zichzelf bewuste geschiedenis zou belichamen. Integendeel: aan deze filosofische en literaire episode zou juist al het lijden van onze tijd ontsproten zijn: kapitalisme, kolonialisme, totalitarisme. Aan de waanvoorstellingen van enige geletterde heren die schoon schip wilden maken met God, hebben we te danken dat Europa zich later in de duisternis stortte.

Dat de moderne tijd daadwerkelijk een zeker fanatisme heeft voortgebracht, daarvan getuigt de gehele geschiedenis van de twintigste eeuw. En het is zeker waar dat het geloof in de vooruitgang de gedaante had aangenomen van een religie. De afschuwelijke seculiere religies van het nationaal-socialisme en het communisme deden met hun dodelijke rituelen en massamoorden in niets onder voor de verschrikkelijkste theocratieën. Er is in de twintigste eeuw meer gedood tegen God dan in zijn naam. En toch werd het nationaal-socialisme, en daarna het communisme, onttroond door democratische regeringen die hun inspiratie aan de filosofie van de mensenrechten ontleenden, en die op tolerantie en een diversiteit van meningen berustten.

Of we willen of niet, we zijn de kinderen van deze controversiële eeuw, we zijn gedwongen om onze vaders te vervloeken in de taal die zij aan ons hebben doorgegeven. En omdat de Verlichting het beste zelf haar ergste vijanden bestrijden kan, lijdt het geen twijfel dat zij ook de islamistische hydra kan neerslaan. Voorwaarde is wel dat ze in zichzelf gelooft en niet uitgerekend die paar hervormers van de islam vogelvrij verklaart.

Tegenwoordig hebben wij twee voorstellingen van vrijheid: de ene stamt uit de achttiende eeuw en berust op de bevrijding van traditie en autoriteit. De andere stamt uit de anti-imperialistische antropologie en beschouwt alle culturen als evenwaardig. Het relativisme raadt ons aan om onze zogenaamde waarden te beschouwen als de geloofsartikelen van de stam die zich ’het Westen’ noemt.

Op dit laatste stoelt het multiculturalisme: het wil vooral het vreedzame samenleven van bevolkingsgroepen met verschillende etnische en raciale herkomst realiseren. De criteria van recht en onrecht, van misdaad en barbarij wijken voor de absolute criteria van het respect voor de ander. Wie voorzichtig in herinnering roept dat vrijheid ondeelbaar is, dat een mensenleven overal evenveel waard is, dat de amputatie van de hand van een dief of de steniging van een overspelige vrouw nergens geduld kan worden, die wordt in naam van de noodzakelijke gelijkheid der culturen terechtgewezen.

Nu is het één ding om de overtuigingen en rituelen van medeburgers met een andere herkomst te erkennen, maar iets heel anders om eilandachtige gemeenschappen toe te staan die elke invloed van buitenaf weren.

Hier stuiten we op de paradox van het multiculturalisme: het garandeert voor alle gemeenschappen een gelijke behandeling, maar niet voor de individuen waaruit ze bestaan. Het multiculturalisme weigert mensen die zich van hun eigen tradities willen losmaken vrijheid te verlenen. Er is erkenning voor de groep, en onderdrukking van het individu.

Maar het beschermen van minderheden moet ook betekenen dat je je zonder risico’s aan de groep kunt onttrekken – uit onverschilligheid of atheïsme, vanwege een gemengd huwelijk, of omdat je de solidariteit met de clan of met de familie negeert.

De etnische, seksuele, religieuze of regionale minderheid wordt vaak tot een kleine, op zichzelf staande natie verheven. Binnen randgroepen ontstaat ondertussen een soort ethische politie die in sommige Europese landen helaas ook nog door de staat wordt bevorderd. De schijn van de diversiteit schept etnische en religieuze kerkers, en hun bewoners ontberen de privileges die de rest van de samenleving wel aan zijn burgers biedt.

Zo bezien is het geen verrassing dat iemand als Ayaan Hirsi Ali bij de intellectuelen van onze samenleving zwaar onder vuur ligt. Niets ontbreekt in het beeld dat Timothy Garton Ash van deze jonge vrouw schetst, niet eens een belegen vorm van machismo: het zijn slechts de schoonheid en glamour van de (voormalige) parlementariër die haar succes verklaren, niet de juistheid van haar verwijten. Dat de fundamentalistische theoloog Tariq Ramadan, van wie Garton Ash een hoge pet op heeft, zijn reputatie eveneens aan zijn playboyachtige uiterlijk te danken zou hebben, komt niet in zijn hoofd op.

De gekte van Ayaan Hirsi Ali, haar arrogantie, haar grenzeloosheid en haar enthousiasme, dat is wat Buruma en Garton Ash niet kunnen verdragen. Ze treden daarbij op als inquisiteurs, die in elke ietwat flamboyante vrouw een door de satan bezeten heks zien. Wie naar hun neerbuigende uitlatingen luistert, begrijpt dat de strijd tegen het moslimfundamentalisme eerst op het symbolische vlak en eerst door vrouwen gewonnen moet worden, omdat zij het scharnier vormen binnen de families en de sociale structuur. Vrouwenemancipatie is de voorwaarde voor vooruitgang in de Arabisch-islamitische samenlevingen.

Sommigen zeggen: de islam is pas in de zevende eeuw ontstaan en heeft een onvermijdelijke achterstand. Of, zoals Tariq Ramadan beweert: de gelovige massa is nog niet rijp om een praktijk als het stenigen op te geven (zelf roept hij op tot een moratorium op deze vorm van afstraffing, niet om afschaffing ervan). Maar deze opvatting miskent het ’ongeduld van de vrijheid’ (Michel Foucault) die moslimelites bevangt bij de aanblik van geseculariseerde samenlevingen, die zich van dogma’s en achterhaalde zeden hebben bevrijd.

De Verlichting behoort toe aan de mensheid, en niet alleen aan enkele geprivilegieerden uit Europa en Noord-Amerika. Misschien is het multiculturalisme naar Angelsaksisch model niets anders dan een vorm van apartheid, vergezeld door hetzelfde sentimentele geklets als van rijken die tegen armen zeggen dat geld alleen niet gelukkig maakt.

Wij sluiten jullie op in een reservaat om je te behoeden voor het fanatisme van de Verlichting en de rampspoed van de vooruitgang. Iedereen die wij kennen onder de verzamelnaam moslim (Maghrebijnen, Pakistanen, Afrikanen) verbieden wij het geloof te verlaten, slechts af en toe te geloven, op God af te geven of een leven ver van Koran en stamrituelen op te bouwen.

Het multiculturalisme is het racisme van het antiracisme. Het ketent mensen aan hun wortels. Burgemeester Job Cohen van Amsterdam vindt bijvoorbeeld dat we orthodoxe moslimgroeperingen die bewust vrouwen discrimineren, moeten accepteren, omdat we „nieuwe lijm nodig hebben om de samenleving bij elkaar te houden”. In naam van de maatschappelijke samenhang worden we uitgenodigd om de intolerantie toe te juichen. De coëxistentie van kleine, afgesloten gemeenschappen, die ieder hun eigen normen volgen, wordt geprezen.

Binnen deze tolerantie ligt verachting besloten, want ze veronderstelt dat sommige gemeenschappen de moderne tijd niet aankunnen.

In Italië zijn enkele gemeenten van plan om stranden voor moslimvrouwen te reserveren, zodat zij verschoond blijven van de blikken van mannen. En binnen twee jaar zou het eerste ’islamitische’ ziekenhuis dat de voorschriften van de Koran volgt, in Rotterdam gebouwd kunnen worden. Het lijkt of we worden teruggezet in het Zuiden van de Verenigde Staten ten tijde van de rassenscheiding – maar deze rassenscheiding wordt door de top van Europa’s progressieve krachten ondersteund.

Er is nog een argument tegen het Angelsaksische model van multiculturalisme: het werkt niet. De regeringen hebben het zelf toegegeven. Niet alleen moet Groot-Brittannië inzien dat het jarenlang asiel verleend heeft aan de djihad, met de bekende dramatische gevolgen, nu moet het ook nog toegeven dat zijn sociale model gefaald heeft. Hoezeer heeft men niet de spot gedreven met het Franse autoritaire model, toen de Assemblée Nationale het dragen van hoofdoeken in scholen en openbare ruimten per wet verbood?

Ook wij in Frankrijk hebben onze djihadcollaborateurs, zowel onder links-radicalen als ter rechterzijde. Naar aanleiding van de cartoonrellen waren er parlementsleden die een blasfemie-paragraaf in het leven wilden roepen, die ons rechtstreeks in de tijd van het ancién regime had teruggezet.

Hoe heeft zich in Europa en Frankrijk de scheiding tussen kerk en staat voltrokken? Door de onophoudelijke strijd tegen de aanspraak van de kerk om over de geesten te heersen, recalcitranten te bestraffen, hervormingen tegen te houden en het individu gevangen te houden in berusting en angst. Het was een ongehoord gewelddadige strijd van beide kanten, vreselijk, vuig, maar hij had een onbetwistbare vooruitgang tot gevolg en maakte het mogelijk om in 1905 de scheiding van kerk en staat bij wet in te voeren.

Het Franse model heeft gezegevierd over obscurantisme en Bartholomeus-nachten. Dat maakt het superieur. Waarom zouden we zaken van de islam tolereren die we van de kerk allang niet meer dulden? De laïcité, waarvan de grondbeginselen overigens in het evangelie zijn vastgelegd, stoelt op een handjevol eenvoudige principes: vrijheid van godsdienst, vreedzame coëxistentie van religies, neutraliteit van de openbare ruimte, respect voor de maatschappelijke gedragsregels en ten slotte op de door iedereen geaccepteerde zekerheid dat de goddelijke wetten niet boven die van de staat staan, maar op een andere manier geldig zijn: in de harten van de gelovige, in diens particuliere geloofsbeleving.

Volgens de filosofe Hannah Arendt heeft Frankrijk zijn gekoloniseerden tegelijkertijd als broeders en onderdanen behandeld. Maar de idee van republikeinse assimilatie stelt als voorwaarde dat alle mensen, los van ras, geslacht en geloof, dezelfde rechten hebben. Dit ideaal is nog lang niet bereikt, het bevindt zich zelfs in crisis, zoals de onlusten in de Parijse voorsteden in november 2005 lieten zien. En toch vind ik het een veel beter model dan het aanbidden van de diversiteit. Tegen het recht op verscheidenheid moet onophoudelijk het recht op gelijkheid bevestigd worden: wat ons bindt is sterker dan wat ons scheidt.

De standpunten van Ian Buruma en Timothy Garton Ash liggen op dezelfde lijn als die van de Amerikaanse en Britse regering (ook al zijn ze het in politiek opzicht oneens). De nederlaag van George W. Bush en Tony Blair in hun oorlog tegen het terrorisme valt ook terug te voeren op het feit dat ze de militaire strijd de voorrang hebben gegeven boven de strijd der ideeën. Het onverbeterlijke gerommel van deze twee regeringsleiders, hun mengelmoes van strategische bravoure en naïviteit heeft hen verhinderd om de strijd daar te voeren waar het nodig was: op het terrein van de interpretatie van de geschriften. De Koude Oorlog stond in het teken van een algehele strijd tegen het communisme, waarin overtuigingen op elkaar botsten en waarin de culturele strijd, die via film, muziek en literatuur werd gevoerd, een grote rol speelde. Vandaag moeten we toezien hoe de Britse regering in de kringen van haar moslimadviseurs koketteert met het motto: liever fundamentalisme dan terrorisme. Daarbij ziet zij over het hoofd dat het een met het ander verwant is, en dat de fundamentalistische wurggreep de Europese moslims voor altijd van een mogelijke hervorming kan vervreemden. Daarom is het engagement met een verlichte Europese islam van wezenlijk belang: Europa kan een lichtend voorbeeld worden voor een hervorming van deze monotheïstische godsdienst, waarvan je hoopt dat hij op een dag vatbaar wordt voor zelfkritiek en gewetensonderzoek – zoals het Tweede Vaticaanse Concilie dat voor het katholicisme bewerkstelligd heeft.

De tijd is rijp om onze solidariteit met alle rebellen in de islamitische wereld te versterken, met ongelovigen, met andersdenkenden, met libertijnen, met bewakers van de vrijheid, zoals we ooit ook de dissidenten van Oost-Europa hebben ondersteund. Europa moet deze afwijkende stemmen aanmoedig en, hun financiële, morele en politieke steun bieden. Een heiliger, ernstiger, en voor de eendracht van toekomstige generaties belangrijker opgave bestaat er op dit moment niet.

Is het niet vreemd? Bijna tweeënzestig jaar na de val van het Derde Rijk en zestien jaar na de val van de Berlijnse muur heeft een belangrijk deel van Europa’s intellectuelen niets beters te doen dan de vrienden van de democratie zwart te maken. Ze propageren een light-versie van de Verlichting. Ondertussen zijn we nog ver verwijderd van de veel dramatischer omstandigheden die de jaren dertig kenmerkten, toen de beste koppen zich in naam van ras, klasse of revolutie wierpen in de armen van Berlijn of Moskou. Vandaag de dag is het gevaar versnipperd, diffuus. Er is geen gelijkenis met het oppermachtige gevaar van het Derde Rijk. Zelfs het regime van de mullahs in Teheran is een papieren tijger die met een minimale dreiging op de knieën gebracht zou kunnen worden. Niettemin hebben de angtspredikers de handen ineengeslagen.

Kant definieerde de Verlichting met het devies: Sapere aude! Durf te denken! Een cultuur van de moed, misschien is dat het wat onze denkers ontbreekt. Het zijn de symptomen van een vermoeid en door twijfel gekweld Europa, dat bij het minste alarm in dekking gaat. Achter de kleverige retoriek van de goede mens klinkt een andere toon: die van de capitulatie.

Vertaling Andrea Bosman

Pascal Bruckner is filosoof en schrijver te Parijs. Dit is de ingekorte versie van een essay dat vorige week verscheen op signandsight.com, een opiniërend magazine dat niet-Engelstalige, Europese publicaties vertaalt voor een Engelstalig publiek.

mailIcon print |