*

 

Wagners Tannhüuser onder Haenchen verstild, poëtisch en geladen.

door Peter van der Lint − 04/02/07, 22:42

De Nederlandse Opera begon vrijdag met een succesvolle en goed ontvangen nieuwe enscenering van Wagners ’Tannhüuser’, de opera die nog ontbrak in de Wagner-canon van het in 1986 geopende Muziektheater.

En laten we maar meteen het hoogtepunt van deze laatste nieuweling benoemen: het voorspel tot de derde akte en de daaropvolgende scènes met Elisabeth en Wolfram von Eschenbach. Muzikaal leek alles hier samen te komen wat dirigent Hartmut Haenchen en het Nederlands Philharmonisch Orkest in al die jaren aan Wagner-ervaring hebben opgedaan.

Verstild, poëtisch en geladen stroomden Wagners noten uit de orkestbak de zaal in en maanden daar eenieder tot adem- en roerloze bewondering. Magnifiek triest klonk het motief van Tannhüusers ’Rom-Erzühlung’, dat hier al even de kop opsteekt en vooruitwijst naar Tannhüusers relaas van zijn vergeefse boete-reis naar Rome. Diep inkervend was het verre gezang van de teruggekeerde pelgrims en bedwelmend zong Elisabeth haar gebed. In deze opeenvolging van scènes waren Haenchen en het fabelachtig goed spelende orkest heer en meester over onze breekbare zielen. Zielen die zich echt overgaven toen Wolfram aan zijn beroemde lofzang tot de ’holde Abendstern’ begon. Bariton Roman Trekel, de gelauwerde Wolfram uit Bayreuth, zong werkelijk de avondster uit de hemel, opgetild door die schitterende melodie van de celli.

Muziek en zang voorop dus, volledig tot hun recht komend in een enscenering van Nikolaus Lehnhoff, prachtig om naar te kijken en in alles het poëtische evenbeeld van de klanken in de bak. Een grote trapspiraal (ontwerp Raimund Bauer) beheerste het podium, in de eerste scène in de Venus-grot nog ingenieus voorzien van een daarbinnen roterende rankere wenteltrap. Een spiraal naar grote hemelse hoogten of diep afdalend in het innerlijk van deze gekwelde Tannhüuser. Vergeefs op zoek is hij naar een balans tussen geile, bandeloze lust en ascetische, hoofse liefde. Een balans dus tussen de personages Venus, godin van de liefde die hem voor zichzelf wil en de engelachtige Elisabeth, die zich voor hem wil opofferen.

Het verhaal start met Tannhüuser die genoeg heeft van zijn verblijf in de Venusberg en de grot wil verlaten. Lehnhoff toont ons hier een dikke vruchtbaarheidsgodin, een verwijzing naar de Venus van Willendorf, het beroemde beeldje van 20 millennia voor Christus, dat in Oostenrijk werd opgegraven.

Rondom deze dikke oermoeder dansen in het begin-bacchanaal amorfe wezens als spermatozoïden. Vergelijkbaar met de echt zwangere vrouwen en de echo’s die van hun buik getoond werden in de Brusselse ’Tannhüuser’ van Jan Fabre, waar de spermatozoïden hun werk al gedaan hadden. Als Venus merkt dat het Tannhüuser menens is, pelt zij haar dikke lagen af en staat zangeres Petra Lang er ineens in een strakke en opwindende jurk van zwart lamé. De zinderend zingende Lang was volledig geloofwaardig in haar intense rol van verleidster.

Lehnhoff, ooit voor deze opera assistent van Wieland Wagner in Bayreuth, regisseerde de zangwedstrijd in de Wartburg, waar Tannhüuser bekent dat hij in de Venusberg heeft gewoond, helder. Loos en overbodig was het gebruik van een gouden (niet werkende) microfoon, waarschijnlijk als humoristische stijlbreuk bedoeld, maar verder viel op Lehnhoffs intelligente visie weinig af te dingen. In het laatste bedrijf is de trapspiraal een bouwval geworden, met gaten erin. Toch loopt Elisabeth na haar intense gebed over deze trap naar hemelse hoogten. Er is bij Lehnhoff geen dorre staf waar ineens als teken van verlossing groene loten aan ontspruiten. Tannhüuser sterft hier wel, maar meteen duikt achter hem een Tannhüuser-dubbel op (zijn geredde ziel) die dezelfde weg omhoog gaat als eerder Elisabeth. Venus is dan al letterlijk de diepten ingezakt.

Helder allemaal, gestileerd ook, en prachtig uitgelicht in blauwpaars, antraciet en goud. De Weense partituurversie uit 1875 is op verzoek van Haenchen in bruikbare druk verschenen en klinkt hier weer voor het eerst. Het is een aanwinst. Robert Gambill kwam in de loodzware titelrol redelijk ongeschonden uit de strijd, en dat is al heel wat! Maar de stem is niet mooi, noch klaroenhelder; eerder gruizig en zonder kern. Tegenover hem stond de Elisabeth van Martina Serafin met een kristalheldere en loepzuivere stem, prachtig opgaand in haar opofferende rol en heerlijk extatisch in ’Dich teure Halle’, haar begroeting van de minnezangerszaal .

Voor iedereen was er aan het slot groot applaus. Zonder enige wanklank. Voor Haenchen, voorlopig voor het laatst bij De Nederlandse Opera te gast, bewaarde men het heftigste handgeklap en de luidste bravo’s. Zijn eerdere Wagners hebben zich in het collectieve onderbewustzijn genesteld en deze ’Tannhüuser’ plaatst zich met grote klasse en allure in dat illustere rijtje.

De Nederlandse Opera, Nederlands Philharmonisch Orkest en solisten olv Hartmut Haenchen met ’Tannhüuser’ van Wagner in een regie van Nikolaus Lehnhoff op 2/2 in Muziektheater, Amsterdam. Daar nog te zien op 5, 8, 11, 14, 18, 22, 24 (ook uitzending via Radio 4) en 26/2.

mailIcon print |