Er was het lichtgewicht Philomena Bijlhout dat het precies negen uur volhield. Daarna kwam warhoofd Khee Liang Phoa, eveneens van de LPF. En toen werd het stil.
Sinds het aantreden van Balkenende II in mei 2003 kent Nederland geen staatssecretariaat meer voor emancipatiezaken. En het zou mij verbazen als de post terugkeerde in het kabinet waaraan dezer dagen wordt geknutseld.
Want met die vrouwen komt het vanzelf wel goed, denken wij. Daar hebben we geen aparte staatssecretaris, laat staan een minister voor nodig. Dat klusje kan de bewindsman van sociale zaken er wel zo’n beetje bij doen.
Zou het heus?
In februari vorig jaar deed de Visitatiecommissie Emancipatie verslag van haar voorlopige bevindingen. De aandacht voor de vrouwenzaak, concludeerde ze, is de laatste jaren lelijk ’weggezakt’. De ministeries die er oog voor zouden moeten hebben, leunen achterover, de politieke wil ontbreekt.
En onlangs verscheen de tweejaarlijkse Emancipatiemonitor. De ’vaart’ is eruit, staat ook in dit rapport. De emancipatie ’stagneert’. De optimistische ’streefcijfers’ worden bij lange na niet gehaald. Mannen zijn één procentpuntje meer gaan doen in huis, vrouwen houden het in overgrote meerderheid op deeltijdbaantjes – ook als ze al hoog en breed uit de kleine kinderen zijn. Het gevolg: maar een krappe 42 procent van de vrouwen kan geheel op eigen benen staan. Er is zelfs, begrijp ik, sprake van een backlash. Méér jonge vrouwen dan voorheen vinden dat zij veel geschikter zijn voor de opvoeding dan mannen. En de opvatting dat het gezin lijdt onder een werkende moeder wint eveneens terrein.
Veertig jaar na het beroemde essay ’Het onbehagen bij de vrouw’ van Joke Kool-Smit is er maar één conclusie mogelijk: het onbehagen is compleet verdwenen. Niet omdat het evenredig paradijs in Nederland inmiddels is aangebroken, maar omdat vrouwen er de schouders over ophalen. Ze zijn innig tevreden met hun bescheiden baantjes. ’Economische zelfstandigheid’ – het concept laat ze siberisch. En dat ze nauwelijks seksegenoten tegenkomen op hoge functies vinden ze geen enkel probleem.
Is dat erg? Nou ja, het is minimaal curieus. In vergelijkbare landen rukken vrouwen wél langzaam op. Anders dan hier, zijn in Frankrijk en België fulltime werkende moeders allerminst per definitie verdacht. En zelfs het oerconservatieve Duitsland is aan het schuiven. Het heeft sinds maandag, notabene dankzij een christen-democratische minister, een verlofregeling ingevoerd die de stap naar de arbeidsmarkt voor jonge moeders moet vergemakkelijken.
Deskundigen tobben heel wat af over de stagnerende emancipatie in de lage landen. Ook voornoemde monitor wijdt er vele bladzijden aan. Waarom lukt hier niet wat elders – met vallen en opstaan – wél lukt? Waarom nemen moeders in het buitenland hun beroepsleven wél serieus?
Mij lijkt de verklaring tamelijk simpel. Vrouwen in Nederland kregen in deze veertig jaar allengs nieuwe rechten. De wereld lag bij wijze van spreken aan hun voeten. Ze konden elke opleiding volgen die ze wensten, en alle beroepsgroepen heetten hen welkom. Maar over nieuwe plichten werd, heel Nederlands, nimmer gerept.
Vandaar dat hier nog steeds de gedachte domineert dat emancipatie ’keuzevrijheid’ betekent – met gemak het heiligste begrip uit het vrouwenwoordenboek. Wij mogen helemaal zelf weten of we thuis willen zitten dan wel de arbeidsmarkt opgaan – óók als de samenleving ruimhartig heeft geïnvesteerd in onze opleiding. En wie daar anders over denkt, haalt zich de vloek van de moedermaffia op de hals.
Maar zolang moeders hun baan buitenshuis beschouwen als een vrijblijvende bezigheid die ze evenzogoed kunnen laten, schiet het natuurlijk niet op. Niet aan de keukentafel, niet op de werkvloer.
Nu nog een staatssecretaris die dat hardop durft te zeggen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.