Met alleen renovatie en slopen in achterstandswijken redden we het niet. Bewoners moeten op veel meer gebieden een positief perspectief krijgen.
Eind vorig jaar sloeg minister Pieter Winsemius alarm: op grond van voorlopige cijfers constateerde hij dat 140 Nederlandse wijken dreigen af te glijden. Veertig daarvan zijn er zo ernstig aan toe dat volgens Winsemius daar ’de vlam in de pan kan slaan’. Hij wees op verschillende onderzoekers die een zich verder verdiepende tweedeling in de steden voorspelden.
In de wijken waar het hier om gaat is veel tegelijk aan de hand. Het meest zichtbare is de verloedering van het woningbestand en de omgeving: het is er niet schoon, niet veilig. De laatste kabinetsperiode heeft de nadruk gelegen op de fysieke aanpak en op criminaliteitsbestrijding. De sloopmachine draaide volop en de verschillende steden overtroefden elkaar in stoere maatregelen, die overlast en criminaliteit moesten terugdringen. Deels met succes trouwens. In beruchte wijken als de Bijlmer en het Rotterdamse Hoogvliet gaat het inmiddels beter.
Maar de laatste jaren wordt steeds duidelijker dat we het niet redden ’met steen alleen’. Er is in deze wijken veel meer aan de hand. Steeds duidelijker wordt dat veel problemen achter de voordeur onzichtbaar samenkomen bij kwetsbare mensen. Lage inkomens, vaak werkloos of arbeidsongeschikt, zonder diploma van school af, opvoedings-, verslavings- en geldzorgen, geen sociaal netwerk, ga zo maar door.
Het echte probleem van de achterstandsbuurten zit inmiddels in het gebrek aan perspectief voor de mensen die er wonen. Voor hen heeft de stad zijn roltrapfunctie, waarin je steeds een stapje hoger op de ladder kunt komen, verloren. Gevangen in Spangen, Overvecht of Laakkwartier. Wie de verhuiswagen kon betalen is immers al lang vertrokken. En het is vooral het gebrek aan perspectief dat deze wijken tot een ideale voedingsbodem voor radicalisering en criminaliteit maakt.
Het mag niet zo zijn dat de plaats waar je woont bepalend is voor de kansen die je krijgt. Daarom is de komende jaren een stevig offensief nodig dat het tij keert, een soort nationaal Deltaplan voor de wijken. Gebaseerd op onze ervaringen met experimenten in de afgelopen jaren stel ik de volgende ingrediënten voor:
1. Breng achterstanden goed en gedetailleerd in beeld en stel prioriteiten. Voeg alle verschillende onderzoeken samen en kijk waar de problemen samenkomen. Breng het geld daar naartoe waar het ook echt nodig is.
2. Investeer meer in deze wijken en stimuleer daarbij programma’s gericht op scholing, het erbij houden van schoolverlaters, reïntegratie op de arbeidsmarkt, stimuleren van ontmoetingen en samenhang enzovoorts.
3. Deze wijken moeten weer van de mensen worden: stimuleer het eigenaarschap van bewoners. Letterlijk door veel sociale huurwoningen te verkopen. Maar ook door de zittende bewoners en hun problemen leidend te maken bij de aanpak
4. Stimuleer grensoverschrijdende samenwerking. Voor de aanpak die ons voor ogen staat zijn veel instellingen nodig. Zet, naar Engels voorbeeld, een premie op samenwerking in lokale allianties. Geef ruimte door ook zelf zoveel mogelijk te ontschotten en te ontregelen.
5. Woningcorporaties kunnen de motor zijn achter wat Winsemius, in het WRR-rapport ’Vertrouwen in de buurt’ noemde ’de sociale herovering van buurten’. Zij zijn er als een van de weinige stabiele factoren aanwezig, hebben er belangen én hebben het geld. Van de overheid vraagt dat ruimte om corporaties te laten ondernemen. Van de corporaties – stand verplicht tenslotte – vraagt het een brede taakopvatting, het lef om maatschappelijk te ondernemen én een stevige lokale inbedding.
René Scherpenisse is directeur Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV). De SEV is een onafhankelijk platform voor vernieuwingen in bouwen en wonen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.