Als je, zoals ik soms, schoon genoeg hebt van je woonplaats (bij mij Amsterdam maar het kan natuurlijk evengoed Leerdam zijn of Klein-Ulsda) loont het de moeite om een vreemdeling over te laten komen voor de frisse blik, een ver familielid bijvoorbeeld, al jaren geëmigreerd of, zoals bij ons, een vriendin van je dochter uit een ander werelddeel.
Wij kregen voor deze opknapbeurt een Braziliaans meisje van achttien over de vloer. Nee, niet afkomstig uit een sloppenwijk. Ze was uitwisselingsstudente in Duitsland, sprak vier talen, wilde later rechten gaan studeren en haar vader was bij de politie. Bij de politie?, informeerde ik nieuwsgierig. Toen ik klein was waren er allerlei kleine jongetjes in mijn buurt die beweerden dat hun vader bij de politie was; sindsdien geloof ik niet een twee drie meer in ‘vaders bij de politie’. De hare was politie... hoe noem je dat ook weer, politiechef. Commissaris?, bood ik aan want ik vond politiechef niet fijn klinken, te veel naar scherpe verhoren en steekpenningen; nee, je moest commissaris wezen, commissaris Maigret, Commissaris Rex.
Maar nee, hij was politiechef. Ik vertelde dat ik een keertje in Brazilië was geweest, op vakantie in de buurt van Natal (dat was mooi, bevestigde ze zoals het hoort, je wilt ook niet horen dat Natal het scharrigste stukje van Brazilië is waar een Braziliaan nog niet dood gevonden wil worden) en dat ik het zo leuk vond om daar naar het voetbalcommentaar te luisteren, vooral als er een goal viel. Ik riep ‘goaaaaaaaaaaaaal’ tot ik geen adem had en onze gast viel om van het lachen want zo deed haar vader dat ook, Skol in de hand en maar Goal roepen tot je erbij neerviel. Skol? Ja, dat dronken ze graag in Brazilië. Komt uit Nederland, beweerde ik en wist ze wat Skol betekende? Ja, proost. De Nederlandse columnist vertelde het aan de Brazilaanse politiechefdochter: Skol hing samen met Skull, schedel: de Germanen dronken uit de schedels van hun tegenstanders, vandaar, skol! Ik merkte dat ik leuk en interessant gevonden wilde worden, een vader die meedeed.
Zij vond alles ‘cool’, wat me even tegenviel, in Brazilië vonden ze dingen dus ook al ‘cool’. Het Rijksmuseum waar we langsliepen was ‘cool’ en het Anne Frankhuis dat we bezochten was ‘cool’, zelfs de duizenden toeristen die ik in mijn hart verfoeide, waren ‘cool’. Nou ja, misschien had ze gelijk. Ik begon Amsterdam van de weeromstuit zelf ook weer ‘cool’ te vinden. Na het eten, ik had Indonesisch als typisch Nederlands aanbevolen, wilde ze graag de vensters zien! De wat? Vensters? Ja, zoiets, ze wist het niet precies. Woonboten misschien? legde ik uit. In Amsterdam woonden sommige mensen in woonboten, grappig hè. Ja, wat een geweldige stad! Maar nee, eh, vrouwen in vensters. Ah, de warme buurt (hoe zeg je dat in het Duits: das heisse Viertel, klonk als een jongensboek). We moesten er met de auto langs rijden! Opgewonden zag ze de zonde vanuit ons koetsje aan. Een man die onderhandelde, en stonden die vrouwen de hele dag voor dat raam? Mocht dat allemaal? Ja, dat was Amsterdam, En ik, laf en trots, zei maar niet dat de gemeente een heleboel van die dingen ging dichttimmeren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.