*

 

Een weblog uit Bagdad

Door: redactie − 19/01/07, 13:50

Ze noemt zichzelf ’Riverbend’, de jonge Irakese die sinds augustus 2003 een weblog bijhoudt vanuit Bagdad. Riverbend maakt ons deelgenoot van het dagelijks overleven, van familiefeestjes, autobommen, executies, van het gebrek aan water en stroom. Daarnaast geeft ze scherpe, soms woedende analyses van de omstandigheden die Irak in chaos en geweld hebben gestort. Haar gebundelde blogs verschijnen deze week in een Nederlandse vertaling. Op deze pagina’s enkele fragmenten uit een meeslepend dagboek.

ZONDAG, 6 NOVEMBER 2005

FILMS EN DROMEN (vervolg)

De bewakers hadden tegen het meisje gezegd dat ze als ze over de muur kon klimmen vrij zou zijn. Zodra ze naar de muur begon te rennen en ze in de haast om de afstand tussen haar bewakers en de vrijheid te overbruggen struikelde, lieten de bewakers drie grote, woeste honden los. Ik herinner me niet precies wat er daarna gebeurde, maar ik herinner me een verschrikkelijk lawaai: haar gegil, de blaffende honden en de lachende bewakers.

In de tweede film ging het niet om acteurs – het waren echte mensen die uit wreedheid handelden. Ik was ongeveer acht jaar en we bezochten Irak. Ik ging bij iemand naar binnen en zag beelden waarvan ik vanwege de kwaliteit aanvankelijk dacht dat het nieuwsfragmenten waren. Er was, zo begreep ik later, een Iraakse krijgsgevangene in Iran te zien. Ik zag hoe Iraanse bewakers de armen van de hulpeloze man elk aan een ander voertuig vastbonden. Ik was jong, maar zelfs ik wist wat er daarna zou gebeuren. Ik wilde wegrennen of mijn ogen sluiten – maar ik kon me niet bewegen. Even later reden de auto’s elk een andere kant op – en de man leed ondraaglijke pijn toen zijn armen uit de kom werden getrokken. Ik vergeet die beelden nooit. Miljoenen Irakezen herinneren zich die. Elke keer als ik het woord aseer – Arabisch voor krijgsgevangene – hoor, draai ik ze ongewild in mijn hoofd af. Wekenlang zag ik ze voor ik ’s avonds in slaap viel, en ’s ochtends werd ik ermee wakker. Ze achtervolgden me en ik vroeg me af hoe lang het had geduurd eer de man overleden was – ik wist niet eens dat mensenarmen op die manier van het lichaam gescheiden konden worden.

De gruwelen die de krijgsgevangenen in Iran overkwamen, beleefden we zelfs na de oorlog. We werden zo vaak herinnerd aan de geruchten over de martelingen – mentaal en lichamelijk – en die werden zo vaak bevestigd dat moeders erom baden dat hun zonen dood zouden zijn in plaats van gevangen in Iran – zeker nadat de video in 1984 of 1986 was vertoond. Iedere Irakees die na de oorlog een familielid miste, zag dat terug in het van pijn vertrokken gezicht van de krijgsgevangene die zijn armen verloor. Abdul Aziz al-Hakim, leider van de fundamentalistische Sciri, en wijlen zijn broer Mohammed Baqir al-Hakim waren beiden bekende ondervragers en martelaars van Iraakse krijgsgevangenen in Iran.

Er is, geloof ik, geen enkele Iraakse familie die door de oorlog geen dierbare verloren heeft. Er is geen enkele familie die geen gruwelverhalen kan vertellen over krijgsgevangenen die thuiskwamen. In 2003 werden onze krijgsgevangenen teruggegeven. Alleen al in onze familie verloren we door de oorlog vier mannen. Van drie werd bevestigd dat ze omgekomen waren – een sjiiet en twee soennieten – en de vierde, S., wordt sinds 1983 vermist.

Gepost door river @ 00.47 uur

VRIJDAG, 25 NOVEMBER 2005

MOORDEN

[...] Drie dagen geleden schoten Amerikaanse en Iraakse soldaten op een familie die van de ene naar de andere stad reisde, waarbij vijf leden van die familie omkwamen. „Het zijn allemaal kinderen. Het zijn geen terroristen”, riep een familielid. „Kijk naar de kinderen”, zei hij terwijl een functionaris van het mortuarium een klein dood kind naar de koelkamer bracht. Wie heeft Al-Kaida nodig om ’terroristen’ te rekruteren als je Daawa, de Sciri en een Amerikaanse bezetting hebt?

De afgelopen drie weken zijn er op z’n minst zes bekende artsen/professoren vermoord. Sommigen waren sjiieten, anderen soennieten – sommigen waren oud-baathisten en anderen niet. Het enige wat ze gemeen hadden is dat ze allemaal voor de oorlog een belangrijke rol speelden aan de universiteiten. Ik ken de details van deze afslachtingen niet. Ik kende dr. Ra’ad al-Mawli. Hij was een oud-professor en hoofd van de faculteit van natuurwetenschappen van de Universiteit van Bagdad – een sjiiet. Hij was een rustige man, een heer die altijd voor je klaarstond als je een probleem had. Hij werd in zijn kantoor op de campus neergeschoten. Een groot verlies.

Een andere professor die eerder deze maand werd neergeschoten was hoofd van de faculteit farmacie. Hij had eerder dit jaar problemen met Daawa-studenten. Toen Jaffari en consorten de verkiezingen wonnen, wilden hun aanhangers dat in de universiteit vieren. Omdat hij vermoedde dat dat tot problemen zou leiden, stond hij de festiviteiten niet toe, met uitzondering van de gebruikelijke banieren. Hij vertelde hun dat de universiteit er was om te leren en te studeren, en dat de politiek erbuiten gehouden moest worden. Hij werd door sommige studenten bedreigd; er waren schermutselingen. Hij werd een week geleden vermoord.

Wie er ook achter de moorden zit, Irak verliest snel zijn ontwikkelde mensen. Een feit is dat deze slinkende, goed opgeleide klasse tevens Iraks seculiere klasse is.

Gepost door river @ 13.03 uur

DONDERDAG, 12 JANUARI 2006

DANK VOOR DE MUZIEK

Toen ik voor het eerst hoorde van de ontvoering van de journalist Jill Carroll van Christian Science Monitor verleden week, voelde ik spijt. Het was hetzelfde zware gevoel dat ik telkens krijg als ik hoor dat er een journalist ontvoerd of vermoord is. Ik las het nieuws bij de ondertiteling. We hadden enkele dagen geen internetverbinding, dus ik wist geen details. Het enige wat ik wist was dat er een journalist ontvoerd was en dat haar Iraakse tolk vermoord was. Hij werd eerder deze maand, toen ze Jill Carroll ontvoerden, in koelen bloede neergeschoten in het Al-Adil-district.

Onlangs ontdekte ik dat die tolk een goede vriend was: Alan, van Alan’s Melody, en de afgelopen twee dagen heb ik alleen maar gehuild.

Voor de oorlog had hij een muziekwinkel in A’arasat, de beste buurt van Bagdad. Hij verkocht Arabische en instrumentale muziek, maar zijn vaste klanten waren verwesterde Irakezen die smeekten om buitenlandse muziek. Voor wie hield van popmuziek, adult alternative, jazz enzovoort, waren er geen concurrenten. Hij verkocht clandestiene cd’s, bandjes en dvd’s. Zijn winkel was niet zomaar een muziekwinkel – het was een paradijs. De keren dat ik de winkel uit kwam met cd’s en bandjes, vol verwachting voor de vlucht die de muziek voor me in petto had, behoren tot mijn gelukkigste momenten. Hij had bijna alles, van Abba tot Marilyn Manson. Hij kon overal aan komen. Je hoefde alleen maar naar hem toe te gaan en te zeggen: „Alan, ik heb een geweldig nummer op de radio gehoord. Dat moet je voor me vinden.” En hij zat daar geduldig en vroeg wie het zong. Weet je dat niet? Oké, was het een man of een vrouw? Goed. Herinner je je misschien een paar woorden? De kans was aanwezig dat hij het ook kende en zelfs de tekst kon zingen. Tijdens de sancties was Irak feitelijk afgesloten van de rest van de wereld. We hadden misschien vier of vijf plaatselijke televisiezenders en pas de laatste jaren werd internet populair. Alan was een van de lijnen naar de buitenwereld. Als je twee keer in zijn winkel was geweest, herinnerde hij zich je favorieten en kwam hij met muziek die je mooi zou kunnen vinden. Hij was elektricien, maar hij had een passie voor muziek. Zijn droomberoep was muziekproducent. Hij deed smalend over de normale jongensgroepjes – N’Sync, Backstreet Boys enzovoort – maar hij promootte wel altijd een Iraakse jongensband die hij naar eigen zeggen ontdekt had: Unknown to No One. „Ze zijn erg goed en hebben potentie”, zei hij altijd. E. antwoordde dan: „Alan, ze zijn vreselijk.”

We gingen niet alleen naar Alan om muziek te kopen. Het werd ook altijd een gezellig bezoekje. Hij zei dat je moest gaan zitten, moest luisteren naar zijn nieuwste favoriete cd, en hij vroeg of je iets wilde drinken. Vervolgens vertelde hij je de laatste roddels – hij wist alles. Hij wist waar de feesten waren, wie de beste dj’s waren en wie ging trouwen en wie ging scheiden. Hij kende de plaatselijke en de internationale roddels, maar het ging er nooit kwaadaardig aan toe. Het was altijd grappig.

Na de oorlog ging de buurt waar zijn winkel was achteruit. Er ontploften autobommen, er werd geschoten en de handlangers van Badir namen enkele huizen in beslag. De mensen gingen steeds minder vaak naar A’arasat omdat het er te gevaarlijk werd. Alans winkel was vaker dicht dan open. Hij sloot hem voorgoed toen hij enkele doodsbedreigingen had gekregen en er een handgranaat door de etalageruit was gegooid.

E. en ik gingen na de oorlog af en toe bij hem langs, voor hij de zaak sloot. Op een dag gingen we naar binnen en ontdekten we dat er geen stroom en geen generator was. De winkel werd vaag verlicht door een olielamp en Alan zat achter de toonbank een stapel cd’s door te nemen. Hij was dolblij om ons te zien. We konden niet naar muziek luisteren, dus zongen hij en E. enkele van hun favoriete nummers, struikelend over de woorden en af en toe dingen verzinnend. Vervolgens luisterden we naar verschillende beltonen en wisselden we de nieuwste grappen uit. Voor we het doorhadden waren we twee uur verder en waren we de buitenwereld vergeten. Een explosie bracht ons weer terug in de werkelijkheid.

Het trof me dat het toen niet de muziek was die van zijn winkel een paradijs maakte, een plek waar je je problemen en zorgen kon vergeten – het kwam door Alan zelf. Hij was gek op Pink Floyd:

’Did you see the frightened ones?

Did you hear the falling bombs?’

Goodbye Blue Sky – Pink Floyd

Dag Allan*

Gepost door river @ 22.05 uur

ZATERDAG, 18 MAART 2006

DRIE JAAR

Drie jaar geleden brak de oorlog uit die het einde inluidde van de onafhankelijkheid van Irak. Drie jaar van bezetting en bloedvergieten. De lente zou moeten gaan om vernieuwing en wedergeboorte. Voor Irakezen is lente het opnieuw beleven van pijnlijke herinneringen en voorbereidingen treffen voor de komende rampen.

Dit jaar lijkt veel op 2003, vlak voor de oorlog, toen we brandstof, water, voedsel en benodigdheden voor eerste hulp en medicijnen hamsterden. We zijn er dit jaar weer mee bezig, maar nu bespreken we niet waarom we er een voorraad van aanleggen. Bommen en B52’s zijn eenvoudiger onder ogen te zien dan andere mogelijkheden. Ik denk dat drie jaar geleden niemand had verwacht dat de zaken er nu zo slecht voor zouden kunnen staan. In de afgelopen weken overheerste de spanning. Ik ben zo moe van alles – we zijn allemaal moe.

Drie jaar en de stroomvoorziening is erger dan ooit. De veiligheidssituatie gaat steeds meer bergafwaarts. Het land staat weer op het punt in chaos te vervallen – maar een vooropgezette en geprefabriceerde chaos die geleid wordt door religieuze milities en zeloten. Scholen en universiteiten zijn nu eens wel en dan weer niet open, en ook op het werk is geen peil te trekken. Het lijkt erop dat je op twee dagen school of werk vijf dagen thuis zit te wachten tot de zaken zich verbeteren. De kinderen zijn dit jaar meer thuis geweest dan op school.

Ik vraag me af wat dit jaar, 2006, zoveel slechter maakt dan 2005 of 2004. Het is niet een zichtbaar verschil – met zaken als elektriciteit, water, vervallen gebouwen, vernielde straten en lelijke betonnen veiligheidsmuren. Dat zijn verontrustende zaken, maar ze zijn op te lossen. Irakezen hebben steeds weer laten zien dat een land opnieuw opgebouwd kan worden. Nee, het gaat niet om de overduidelijke zaken die ons een akelig voorgevoel geven.

De ergste angst komt voort uit de recente geestesgesteldheid van zoveel mensen – de kloof die blijkbaar zijn weg heeft gevonden door het hart van het land en die de mensen scheidt. Je wordt neerslachtig wanneer je praat met kennissen – beschaafde, ontwikkelde mensen – en hoort dat soennieten zus zijn en sjiieten zo* Wanneer je mensen hun spullen ziet pakken en verhuizen naar een ’soennitische buurt’ of een ’sjiitische buurt’. Hoe kon het zover komen? Ik lees voortdurend analyses van veelal buitenlanders of Irakezen die tientallen jaren in het buitenland hebben gewoond en die zeggen dat er in Irak altijd een scheiding is geweest tussen de soennieten en de sjiieten, maar dat het onder het bewind van een dictator niet zichtbaar was of dat niemand het wilde zien. Dat is gewoon niet waar. Als er een scheiding was dan was die er tussen de fanatici van allebei de kanten. De extremistische sjiieten en de extremistische soennieten. De meeste mensen raakten simpelweg niet bevriend of gingen niet om met buren vanwege hun gezindte. Het deerde de mensen niet – je kon ze ernaar vragen, maar iedereen zou je aankijken alsof je gek en onbeschoft was.

Ik herinner me dat ik toen ik een kind was tijdens een bezoek buiten speelde met een van de buurkinderen. Amal was even oud als ik; we waren zelfs in dezelfde maand geboren, met drie dagen ertussen. We lachten om een flauwe grap en plotseling draaide ze zich naar me om en vroeg ze bedeesd: „Ben jij sanafir of shanakil?” Ik was verbaasd. Sanafir is Arabisch voor ’smurf’ en shanakil is het Arabische woord voor ’snork’. Ik begreep niet waarom ze aan me vroeg of ik een smurf of een snork was. Blijkbaar was het een indirecte manier om erachter te komen of ik soenniet (sanafir) of sjiiet (shanakil) was?

„Wat?”, vroeg ik glimlachend. Ze lachte en vroeg of ik bad met mijn handen langs mijn zij of gevouwen voor mijn buik. Ik haalde ongeïnteresseerd en een beetje beschaamd mijn schouders op, omdat ik op de gevoelige leeftijd van tien nog altijd niet wist hoe ik op de juiste manier moest bidden.

Later die avond zat ik in het huis van mijn tante en ik bedacht dat ik mijn moeder moest vragen of we smurfen of snorken waren. Ze keek me net zo wezenloos aan als ik Amal had aangekeken. „Mama, bidden we zó of bidden we zó?” Ik stond op en deed de beide manieren voor. Mijn moeders ogen werden helderder; ze schudde haar hoofd en blikte naar mijn tante. „Waarom vraag je dat? Wie wil dat weten?” Ik legde uit dat Amal, onze shanakil-buur, het me eerder op de dag had gevraagd. „Nou, zeg maar tegen Amal dat we geen shanakil zijn en ook geen sanafir. We zijn moslims, er is geen verschil.”

Het duurde jaren voordat ik wist dat de halve familie sanafir was en de andere helft shanakil, maar dat deed er voor niemand iets toe. We discussieerden tijdens familiereünies of familie-etentjes niet over de soennitische of de sjiitische islam. De familie vond het onbelangrijk of een neef bad met zijn handen langs zijn zij en of een nicht bad met haar handen voor haar buik gevouwen. Veel Irakezen van mijn generatie staan er zo tegenover. We zijn opgevoed met het idee dat mensen die op de een of andere manier – positief of negatief – discrimineren op basis van geloofsovertuiging of etniciteit achterlijk, onontwikkeld en onbeschaafd zijn. Het zorgelijkste aan de huidige situatie is dat discriminatie vanwege het geloof algemeen is geworden. Mensen worden gedwongen zichzelf dit of dat te noemen, omdat politieke partijen het in elke toespraak en in elke krant benadrukken: het wij-zij. We lezen steeds hoe ’wij soennieten ons moeten verenigen met onze sjiitische broeders*’ of dat ’wij sjiieten onze soennitische broeders moeten vergeven*’ (Merk op dat soennitische en sjiitische zusters niet in dit plaatje van gelijkheid passen.)

En welke rol spelen de bezetters hierin? Het komt hun goed uit, geloof ik. Het is handig wanneer Irakezen elkaar ontvoeren en vermoorden; dan kunnen zij de neutrale buitenlandse partij zijn die de vrede bevordert en begrip wil brengen tussen de mensen die tot voor de bezetting, vredig en begripvol waren.

Drie jaar na de oorlog, en we zijn zichtbaar achteruit gegaan en ook op een minder zichtbare manier.

Alleen al de afgelopen weken zijn er duizenden mensen zonder enige zin omgekomen, en het Amerikaanse en Iraakse leger voert op het moment dat ik dit schrijf bombardementen uit op Samarra. De luchtaanval, die een van de honderden is die we de afgelopen drie jaar hebben meegemaakt, is niet wat treurig maakt, maar de gelatenheid van de mensen. Ze zitten in hun huizen in Samarra omdat ze nergens anders naartoe konden. Eerder kwamen er vluchtelingen naar Bagdad en omstreken. Nu proberen mensen uit Bagdad zelf de stad uit te komen, het land uit te komen. Ergens in het buitenland een veilige haven te vinden is de typisch Iraakse droom. Drie jaar later en de nachtmerries van de bombardementen en van de shock and awe hebben zich ontwikkeld tot een andere nachtmerrie.

Het verschil tussen nu en toen is dat we ons drie jaar geleden nog zorgen maakten over materiële zaken: bezittingen, huizen, auto’s, elektriciteit, water, brandstof* Het is moeilijk te bepalen waarover we ons nu de meeste zorgen maken. Zelfs de meest cynische oorlogverslaggevers konden zich niet voorstellen dat het drie jaar later zo erg zou zijn. ’Allah yistur min il rab3a’ (God behoede ons voor het vierde jaar).

Gepost door river @ 3.28 uur

mailIcon print |