*

 

buitenlands beleid / Wees open tegen Bush, zeker over Afghanistan (opinie)

door Peter Volten − 24/01/07, 21:40

Nederland moet kritisch zijn tegenover president Bush. Het is in ons belang zin en onzin van het Amerikaanse beleid te onderscheiden.

Een supermogendheid dwingt respect af. Zij straalt succes uit en van haar macht wordt in het internationale verkeer vanzelfsprekend gebruik gemaakt. In het geval van de Verenigde Staten geldt bovendien, dat zij sinds de Tweede Wereldoorlog, het ’vrije Westen’ als standvastig leider hebben aangevoerd. Zo’n supermogendheid verdient respect en dankbaarheid en bekritiseer je niet zomaar.

Minister Bot doet het deze dagen heel voorzichtig door zich af te vragen wat die 20.000 extra Amerikaanse troepen eigenlijk uitmaken in Irak. Anderen gaan verder. Zo ergert Ruth Oldenziel, hoogleraar Amerikanistiek, zich aan het feit dat de – allang terechte – kritiek nu pas komt, dat wil zeggen drie jaar te laat ( Trouw, 15 januari).

De vraag is dan ook hoe lang nog respect en waardering voor de VS en hun leidersrol belangijker blijven in de Nederlandse opstelling tegenover de VS dan hun afkeurenswaardige en zelfs schadelijke gedrag. Dat betreft - onder meer – het Midden-Oosten en in dat gebied met name Irak en Afghanistan. De stilte tijdens de verkiezingscampagne hierover mag wel eens worden doorbroken en de drie partijen aan de onderhandelingstafel met de heer Wijffels zullen in ieder geval een standpunt voor de komende jaren moeten formuleren.

De zoveelste ’voorwaartse’ of ’nieuwe’ strategie, die president Bush eerder deze maand aankondigde en gisteravond in zijn State of the Union nog eens aanprees, heeft niet alleen bij het Amerikaanse publiek een ontluisterende teleurstelling teweeggebracht, maar ook bij zijn eigen achterban en in de rest van de wereld. De man lijkt in een bunker te zitten, volstrekt vervreemd van de werkelijkheid.

Het tragische is, dat de komende twee jaar niet alleen Bush c.s. niet wil luisteren naar adviezen, zoals die onlangs van de commissie Baker/Hamilton, maar ook dat de tegenstanders van het beleid voorzichtig te werk gaan. Niemand durft de strijdkrachten in de steek te laten of daarvan te worden beschuldigd. Voor een ’open maatschappij’ waarvoor de filosoof Popper zo overtuigend heeft gepleit en waarvan de VS een lichtend voorbeeld willen zijn, is dat niet alleen ontluisterend, maar tevens onaanvaardbaar. Zo’n houding bedreigt zelfs de drijvende beginselen van de politieke orde die we voorstaan. We mogen ons dan ook niet verschuilen achter respect voor een machtige bondgenoot en weigeren zin van onzin in zijn beleid te scheiden.

Wanneer president Bush weer spreekt over een ’nieuwe strategie’, dan moet direct worden opgemerkt dat er nooit sprake is geweest van een heuse strategie en dus evenmin van een ’nieuwe’. Er zijn hoogstens wat tactische bijstellingen van het beleid-van-de-vrije-val na de ondoordachte inval in Irak. De zogenaamde strategie van Bush beoogt louter een militaire oplossing en gaat mank aan aandacht voor welke vorm van politiek dan ook, zoals internationaal en diplomatiek overleg.

’Als de kanonnen spreken, zwijgt de diplomatie’, hield maarschalk Von Moltke zijn politieke meester, Bismarck, eens voor. Maar de staatsman wist beter en stopte het offensief voor Parijs, omdat zijn strategie – de totstandkoming van Duitsland – kon worden bereikt zonder een totale militaire overwinning op Frankrijk en zonder de eeuwige haat van de Fransen op zijn hals te halen. Niets van zo’ n politieke opstelling en zulk staatsmanschap is terug te vinden in de Amerikaanse aanpak. Noch in Irak, noch in het Midden-Oosten, wordt getracht met de bondgenoten inhoudelijk te overleggen.

Alle partijen lijden hierdoor schade, ook de bondgenoten die steeds meer worden gezien als handlangers van Washington en dat in toenemende mate ook zo ervaren, maar niet openlijk durven zeggen. Een op termijn onhoudbare en onwenselijke situatie.

Bovendien staat het militair-strategisch geïnspireerde beleid van de VS haaks op de politiek-strategische rol die de Navo, ook volgens secretaris-generaal De Hoop Scheffer, in toenemende mate zou moeten spelen. Dit betreft zeker Afghanistan, waar de Navo de leiding heeft.

Afghanistan kan niet worden gestabiliseerd door middel van militair optreden, zo stelt De Hoop Scheffer ook. In overeenstemming daarmee beogen Nederland en andere West-Europese lidstaten in de eerste plaats maatschappelijke opbouw en politieke stabiliteit, waarbij de inzet van militairen een rol speelt – niet de hóófdrol. Washington loopt daarvoor echter niet warm en richt zich op een militaire oplossing, vooreerst in Irak en pas in de tweede plaats in Afghanistan.

Wat er ook geschiedt in Irak, voor de Navo en de West-Europese lidstaten moet Afghanistan een succes worden. Respect en geloofwaardigheid van het ’Westen’ staan op het spel, nog afgezien van de idealen die men voor ogen heeft. In dat opzicht staat het Amerikaanse beleid in Irak evenals de Amerikaanse wijze van optreden, ook in Afghanistan, in de weg. De eenzijdige nadruk op antiterrorisme en de militair-operationele aanpak bij het jagen op de taliban gaan voorbij aan de Nederlandse benadering om de bevolking te winnen voor een nieuw Afghanistan.

Het is niet in het Nederlandse belang dat de VS in de regio eerder deel van het probleem dan van een oplossing worden gezien. Falen in de regio kan ons niet onberoerd laten. Onze overtuiging en nationaal belang betreffende een succesvol beleid voor Afghanistan zijn voldoende zwaarwegend voor een demarche binnen de Navo en bij betrokken bondgenoten, inbegrepen Washington.

Respect voor een bondgenoot met een grote staat van verdienste is één; dienstbaarheid aan onze belangen inzake veiligheidsbeleid en de noodzaak zin van onzin te onderscheiden mogen daarbij niet ontbreken. Integendeel, dat draagt juist bij tot een bondgenootschap dat de ’open maatschappij’ propageert, en zegt zich daartoe in Afghanistan in te zetten.

Peter Volten is hoogleraar Theorie en Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen, Rijksuniversiteit Groningen.

mailIcon print |