*

 

Kinderprostitutie / Filippijnse jongetjes zijn nog steeds te regelen

door Edwin Schoon − 18/01/07, 22:35

In de jaren tachtig zaten honderden Filippijnse jongetjes in de prostitutie. Volgens activisten is de situatie nu nauwelijks beter. Op de volgende pagina’s een interview met een van de jongens uit die tijd, nu volwassen.

In 1979 ontving regisseur Francis Ford Coppola in Cannes de Gouden Palm voor zijn anti-Vietnam-film ’Apocalypse Now’. Hij had de film gefinancierd uit de opbrengsten van zijn ’Godfather’-films. De opnames in de Filippijnen zouden vier maanden in beslag nemen, maar duurden ruim drie jaar, van maart 1976 tot mei 1979.

De filmcrew had zijn tenten opgeslagen in Pagsanjan, een klein stadje met 20.000 inwoners, honderd kilometer ten zuidoosten van Manila. Daar werden, bij de beroemde watervallen van Pagsanjan, de slotscènes opgenomen, met hoofdrolspeler Marlon Brando. Tijdens de opnames doemden allerlei obstakels op. Van een hartaanval, via tropische ziekten tot complete bandeloosheid. Zo verkochten enkele honderden jongetjes hun lichaam aan leden van de filmcrew.

„My film is not about Vietnam”, zei Coppola bij de uitreiking in Cannes. „It ís Vietnam. (*) It was crazy, we were like the Americans in Vietnam. (*) We were in the jungle. There were too many of us. We had access to too much money. (....) And little by little we went insane.”

De roman ’Rosario is Dood’ van de Zweedse schrijfster Majgull Axelsson uit 1989 handelt deels over de jongensprostitutie in Pagsanjan. Ze deed uitvoerig onderzoek ter plaatse, en concludeert in de verantwoording van het boek dat de prostitutie van minderjarige jongens in Pagsanjan al begon vóór de opnames van ’Apocalypse Now’.

De eigenaar van Pagsanjan Falls Lodge ’regelde’ een jongetje voor zijn homoseksuele vriend uit Manila. Die nodigde zijn vrienden uit en zo raakte een tiental jongetjes betrokken. Axelsson ziet de filmopnames wel als katalysator, maar wijst ook op een publicatie in de ’Spartacus Gay Guide’, van John D. Stamford, vanaf de redactie in Amsterdam. Daarin wordt Pagsanjan als dé bestemming voor probleemloze en goedkope seks met minderjarige jongetjes afgeschilderd.

Na deze ’recensie’ werd Pagsanjan bedolven onder mannen met voorkeur voor seks met kleine jongens. Zij werden pom-poms genoemd, naar het geluid waarmee ze aanklopten bij de hotelkamers. De schattingen over het aantal minderjarige pom-poms in de jaren tachtig lopen uiteen van vijfhonderd tot drieduizend. Pas nadat er naar verluidt vier jongens aan aids waren overleden en op de Australische televisie reportages uit Pagsanjan werden getoond, greep de overheid in.

Miriam Santiago-Defensor, hoofd van de Immigratie-commissie in Manila, maakte een einde aan de grootschalige kindprostitutie in Pagsanjan. Op 27 februari 1988 kwam zij met een speciaal arrestatieteam uit Manila, veegde alle hotels schoon en arresteerde 22 klanten (Amerikanen, Europeanen en Australiërs) en 19 jongetjes.

De westerlingen werden het land uitgezet en mochten voorlopig niet terugkeren. Een enkeling kreeg straf in eigen land. En dat was het. Zo legden de Filippijnen het sekstoerisme nauwelijks structureel een strobreed in de weg. Ook nu doet de overheid er officieel alles aan om sekstoerisme tegen te gaan, maar in de praktijk kunnen mensen gewoon hun gang gaan. Een flink deel van het nationaal inkomen – sommigen spreken over tien procent – is afkomstig uit de seksindustrie.

Hoe dan ook, met de razzia van 1988 droogde voor Pagsanjan de belangrijkste inkomstenbron abrupt op. In 1992 haalde de overheid de plaats ook nog eens van de officiële lijst met toeristische trekpleisters. Er kwam geen toerist meer.

Dioscoro L. Pono senior, de voorzitter van de PPRC, Program for the Protection and Rehabilitation of Children of Pagsanjan, heeft alles van dichtbij meegemaakt. „Wij protesteerden tegen de prostitutie. Maar de ouders waren niet blij met ons. We beroofden hen van hun inkomsten.” Hun toenmalige leider werd met de dood bedreigd. „We hadden Miriam echt nodig.” Ook de protestantse dominee Rock Castillo stond aan hun kant. Dat maakte hem weinig geliefd. Twee jaar voordat de overheid ingreep, verdween Castillo. Pono: „Niemand heeft ooit meer iets van hem vernomen.”

Een deel van de jongens is redelijk terechtgekomen. Pono: „Maar een groot deel is werkloos, kan zich moeilijk binden, en heeft een probleem met alcohol of drugs.” In de jaren na de ingreep uit Manila organiseerde hij uitstapjes voor de jongens. „Maar de financiering was moeilijk, men dacht dat het probleem hier niet meer bestond.”

Maar het bestaat nog steeds, zegt Pono. „Vorig jaar nog is een jongetje van zes jaar seksueel gemolesteerd.” De dader is volgens haar een Nederlander van rond de 75, die al lang in Pagsanjan woont. „De moeder heeft nooit aangifte gedaan, want de man heeft haar 50.000 pesos (780 euro, red.) betaald. Daar is ze een klein winkeltje van begonnen.” Met de jongen zelf lijkt het goed te gaan. „Maar hij is nooit medisch onderzocht, want er is geen aangifte. We kunnen niets doen.” En rond het huis van de Nederlander, aan de rand van Pagsanjan bij de rivier, is het druk. „Er worden regelmatig jonge jongens gezien.”

Uit documenten van het hooggerechtshof in Manila blijkt de Nederlander te behoren tot de groep van 22 mensen die in 1988 in Pagsanjan gearresteerd werden. Met twee anderen koos hij niet voor vrijwillige uitzetting, en ging de strijd met de rechter aan. Daarom blijkt uit officiële documenten dat hij bij de razzia werd gevonden met twee inwonende jongens van 14 en 16 jaar. Hij was toen 58 jaar. Na de rechtszaak werd hij alsnog het land uitgezet. Onduidelijk is hoe en wanneer hij is teruggekeerd in Pagsanjan.

Deze reportage is mede mogelijk gemaakt door Plan Nederland, dat op de Filippijnen werkt aan het bestrijden van kinderprostitutie.

mailIcon print |