Jacob van Lennep zorgde er voor dat Multatuli’s ’Max Havelaar’ verscheen. Maar zijn zorg om en bemoeienis met het manuscript reikten tamelijk ver.
Al voor de roman begint voegt Jacob van Lennep met rood potlood ’Eerste Hoofdstuk’ toe boven Multatuli’s eerste zin van zijn ’Max Havelaar’. Multatuli had zijn roman nadrukkelijk niet in hoofdstukken ingedeeld, hij voelde zich ’niet schryversachtig genoeg om zooveel reglement te brengen in m’n pleidooi, en blyf gelooven dat die indeeling, uit ’n letterkundig oogpunt zonder schade kon gemist worden’.
Eduard Douwes Dekker alias Multatuli voltooide zijn (levens)werk op 13 oktober 1859 met de verzuchting: „Lieve hart mijn boek is af, mijn boek is af!” Hij schreef de kladversie van de ’Max Havelaar’ binnen drie weken in een schriftje, om het vervolgens in een langwerpig kasboek in het net te schrijven. Een kasboek met gekartonneerde band met groen gemarmerd papier waarin zich 123 aan beide zijden beschreven gelinieerde foliobladen bevinden. Daarmee ging hij op zoek naar een uitgever.
„Die stonden”, weet Hein Aalders van uitgeverij Bas Lubberhuizen, „bepaald niet in de rij.” Advocaat en schrijver Jacob van Lennep herkende er ogenblikkelijk een meesterwerk in, maar deinsde ook terug voor de politieke gevoeligheid. Toch kocht hij de kopijrechten en bewerkte Multatuli’s taal en teken naar eigen inzicht en welbevinden.
Hoe nu: Multatuli onder curatele zoniet voogdijschap van Van Lennep? Vandaag de dag zouden we zeggen dat Van Lennep ons de ’Max Havelaar’ heeft ’bezorgd’.
Zorg hád Van Lennep om de roman. Hij veranderde of verdonkeremaande plaatsnamen en eigennamen, schrapte, veranderde en voegde alvast zetaanwijzingen toe of haalde juist als cursiveringen bedoelde onderstrepingen van Multatuli weg.
Op zijn beurt geeft uitgeverij Bas Lubberhuizen nu het kasboek van Multatuli met de partituurwijzingen van Van Lennep uit. Alle kasboekbladzijden zijn tot op de vezel gescand, met zichtbaar de scheuren die door plakband zijn hersteld of zwarte duimafdrukken van een slordige zetter er nog piekfijn bij.
Multatulivorser Garmt Stuiveling neemt Jacob van Lennep aanvankelijk even in bescherming om hem dan in een aanhoudende hamertje tik-verontwaardiging naar de zoden te heien.
,,Niettemin heeft Van Lennep, waarschijnlijk te goeder trouw en in elk geval onbaatzuchtig, gemeend twee heren te kunnen dienen, het vaderland ter ene, de rebellerende schrijver ter andere zijde: de laatste door het mogelijk te maken dat zijn explosieve boek inderdaad verscheen, het eerste door ervoor te zorgen dat het effect van de explosie tot de geringste omvang beperkt bleef.”
„De manier evenwel waarop hij ten slotte de uitgave heeft verzorgd, getuigt van een fundamenteel tekort aan eerbied voor de persoonlijkheid, de arbeid en het levensdoel van een ander. De twee-eenheid van dankbaarheid en verbittering, de ’Hassliebe’ die Dekker later voor hem toonde, is alleszins gerechtvaardigd: in wezen immers heeft ook Van Lennep hem op het beslissende uur in de steek gelaten.”
Maar Stuiveling constateert ook nuchter: „Soms hebben Van Lenneps vergissingen een definitieve tekstwijziging tengevolge gehad, aangezien ook Multatuli zelf ze in 1875 of 1881 niet verbeterd heeft. Zulk een fout is de zinsnede: ’afgunst is mijn zaak niet’, die in het handschrift veel aardiger luidt: ’afgunst is mijn zwak niet’.”
Tom Böhm en Dik van der Meulen van het Multatuligenootschap verklaren in hun bijdrage ’Verontwaardiging als muze’ Van Lenneps handelwijze nader. Soms valt er zelfs van omgekeerde bewijslast te spreken; wat als hij dit had gedaan terwijl hij dat kennelijk niet deed! Zo groeit men al rap naar een punthoofd toe.
„De naam van de inlandse regent, Karta Nata Negara, had Dekker zelf al door puntjes vervangen, maar die van Wira Koesoema, de demang van Parang Koedjang, schreef hij voluit. Van Lennep schrapte de laatste , maar in de latere, door Multatuli zelf bezorgde drukken werd juist de regent voluit genoemd, en de demang niet. Van Lennep wilde ook het befaamde slot verwijderen, met zijn krijgshaftige taal en aanroeping van Koning Willem III. Maar daarmee weigerde Dekker in te stemmen, zo schreef hij Van Lennep: „’t Is er meê als de paradijsvogel. Het heele dier is om dien staart geschapen.” En aan een medevrijmetselaar en goede bekende van de editeur liet Dekker weten: „Mijne aanvalspolitiek, mijn aposteltoon is het beste wat ik aan boord heb, - het eenige misschien, - en dàt moet ik nu in zee gooijen om te blijven leven!”
Volgen nog tal van correcties op correcties, als Multatuli in zijn ’Aanteekeningen en ophelderingen’ een door Van Lennep toegevoegde noot over de dogmatische ongerijmdheid tussen ’ei’- en ’ij’-klank, superieur wegwimpelt.
Gelijkhebber Van Lennep: „’Frits zegt: ijd en eit rijmt niet, althans niet in Friesland en Zeeland.”
Gelijkkrijger Multatuli: „Dit Nootjen is van den heer Van Lennep. Als aardigheid kan het er door, maar in de ogen van ’n volwassen mens is dat purisme op ’t rym waarlyk komiek.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.