Ga voor denken over seks niet te rade bij filosofen, adviseert schrijfster Machteld Allan. In hun keuze voor de ratio om de drift te beteugelen, gaat de essentie van de liefde verloren.
Wat is seks eigenlijk? In een maatschappij waarin seks zo’n belangrijke rol speelt, waarin vrijwel elk zichzelf respecterend tijdschrift in elk nummer wel weer een artikel over seks opneemt en de commercie de seksuele verleiding steeds explicieter inzet, is dat een belangrijke vraag.
Machteld Allan heeft zich verdiept in 2500 jaar denken over seks. Zij gaat in haar boek ’Hoe te beminnen, filosofen over seks’ op onderzoek in 14 filosofische teksten naar het filosofische antwoord op de betekenis van seks.
Volgens Allan bestaat er al 2500 jaar een impasse over seks. Die is ontstaan bij Plato en wordt nu nog steeds verwoord door bijvoorbeeld Martha Nussbaum. Zo’n impasse is typisch filosofisch volgens Allan, want juist waar een impasse ontstaat kan het filosoferen echt beginnen.
Allan begint haar boek met het gedeelte uit het symposium over Alcibiades en eindigt met een analyse van de hedendaagse filosofe Martha Nussbaum over dit gedeelte van het symposium. Nussbaum concludeert dat de dramatische confrontatie tussen Socrates en Alcibiades voor Plato een manier is om te zeggen dat het denken over seksualiteit een of-of denken is. Plato stelt dat we moeten kiezen: er zijn twee soorten kennis van Eros, de filosofisch intellectuele (het rationele) en de lichamelijke kennis, en deze zijn onverenigbaar.
Socrates ziet het erotische verlangen vooral als een probleem, en ziet dat „het verlangen naar een eind van het verlangen onze drijfveer is voor verheffing naar een wereld waarin erotische activiteit zoals we die nu kennen niet bestaat.” Hij heeft dat ook tot zijn levenspraktijk gemaakt. Hij heeft zijn lichaam gehard en zich zo van zijn lichaam losgemaakt dat hij bij kou en ontberingen geen pijn voelt. Bij Alcibiades zie je juist een zeer passievol mens, die zich helemaal laat leiden door zijn driften. De werelden van Socrates en Alcibiades zijn volgens Plato en Nussbaum onverenigbaar.
Een andere filosoof met een dergelijke kijk op seksualiteit die aan het woord komt in Allans boek is Kant.
Zijn teksten zijn niet makkelijk en het citeren daarvan maakt voelbaar hoe de lust je al snel kan vergaan tijdens het lezen.
Kant schrijft in ’De plicht jegens je lichaam inzake de geslachtelijke lust’: „En het is duidelijk dat mensen met alleen maar geslachtelijke lust de persoon [..niet..] liefhebben, ze houden zich helemaal niet bezig met zijn geluk, maar storten hem zelfs in het grootst mogelijke ongeluk, alleen maar om hun lust en begeerte te bevredigen. Als ze louter op grond van geslachtelijke lust liefhebben, maken ze de persoon tot object van hun begeerte; zodra ze de persoon gebruikt en hun begeerte bevredigd hebben, smijten ze hem weg, zoals je een citroen wegsmijt als je het sap eraan hebt onttrokken”. Het alternatief dat Kant bedacht heeft, komt voort uit zijn categorische imperatief: „Handel zo dat je de mensheid, hetzij in je eigen persoon hetzij in de persoon van een ander, nooit slechts als middel maar altijd tegelijkertijd als doel behandelt.” Partners moeten elkaar dus als doel zien in de seksuele gemeenschap. Hieruit volgt een complex verhaal over het uitwisselen van genot als een soort contractuele daad, die alleen in evenwicht kan zijn in een monogaam huwelijk. Alleen dat zou het ’gebruik’ van elkaar kunnen voorkomen.
Allan concludeert na het lezen van vele filosofen dat ’het feit dat een persoon tijdens de geslachtsdaad als object wordt gebruikt’ het seksuele probleem is. Allan beschrijft hoe filosofen als Plato en Kant dit probleem willen oplossen door de rede in te zetten tegen de angst. De angst voor de ongebreidelde drift zoals Alcibiades voelbaar maakt in het symposium. De angst voor het elkaar gebruiken.
Filosofen kiezen, zoals het denkers behoort, rationele instrumenten om de drift te beteugelen. Allan constateert in haar inleiding dat zowel Socrates’ arrogante overschatting van de rede als een Kantiaans contract echter de essentie van de seksuele liefde mist. Ze stelt dan ook de cruciale vraag: ’Waar is de liefde gebleven?’ In de tegenstelling tussen rationaliteit en drift lijkt de liefde verloren te gaan.
„Misschien”, concludeert ze dan ook, „moeten we zowel de seks als de filosofie niet aan de denkers overlaten.” De echte ’experts’ zijn de minnaars, de liefhebbers, de amateurs, degenen die object en subject tegelijk zijn en hun eigen leven en lichaam als instrument van liefde en kennis willen inzetten.
Daarmee komen we terug bij de bijzondere rol van Alcibiades in het symposium van Plato. Als hem wordt gevraagd over de liefde te spreken, wil hij alleen het verhaal van zijn eigen leven vertellen, het inzicht dat hij vanuit zijn eigen ervaring heeft gekregen. Nussbaum concludeert hieruit dat je sommige waarheden over de liefde misschien alleen kunt leren door zelf concrete hartstocht te ervaren. Dat zou dus betekenen dat filosofen als Kant, die weinig liefdeservaring zou hebben gekend, of ’versteende’ filosofen zoals Socrates, geen recht van spreken hebben. Hun denken levert problemen op in plaats van ze op te lossen. Dit denken over seks is uiteindelijk onbevredigend.
Maar er is ook een andere vorm van denken over seks, een vorm waar Allan zich ten onrechte tegen afzet. Dat is de wetenschap, die voor haar gevoel het alleenrecht opeist in de kennis over seks. Met name de neurofilosofen, de hersenwetenschappers zouden niet die zinnige dingen over seks te zeggen hebben die de filosofen wel bedacht hebben.
Het lijkt erop dat Allan hier juist een belangrijke kans mist om het seksuele probleem op een heel andere wijze te bezien. Met name de beroemde neurowetenschapper Antonio Damasio laat in zijn onderzoeken zien dat naast de ratio en de emotie juist het gevoel de plaats is waar we echt ethische keuzes kunnen maken waardoor we in liefde kunnen leven. In dit gevoel valt het of-of van het denken weg, maar vallen we niet terug in de bandeloze begeerte van de emotie. Het gevoel is een derde weg die het mogelijk maakt seksualiteit op een liefdevolle manier te beleven, die het mogelijk maakt om tot gevoelsmatig juiste ethische keuzes te komen, in plaats van de rationele dwaalwegen.
Het oosterse denken biedt nog veel meer mogelijkheden om uit de rationele dwaalwegen te komen. Dit wordt ook steeds meer ontdekt door westerse denkers. De Belgische filosofe Patricia de Martelaere beschrijft onder meer in haar boek ’Wereldvreemdheid’ dat er ook een weg is van het niet-denken, die je kunt ontdekken door de weg van meditatie en innerlijke discipline. Dit niet-denken is juist de weg waarin de tegenstellingen kunnen oplossen. Dat niet-denken is lange tijd gezien als zweverige oosterse esoterie. Juist de westerse wetenschap ontdekt echter dat het niet-denken, het gevoel, misschien wel één van onze belangrijkste menselijke eigenschappen is.
Oosterse wijsheid laat zien dat seksualiteit verbonden kan worden met liefde, dat lichaam en geest door meditatie een eenheid kunnen worden, waarin seksualiteit, liefde en meditatie samen kunnen vallen. Dan is er geen doelgerichtheid meer in de seksuele vereniging en valt het probleem van het elkaar gebruiken weg. Dan is het niet nodig om, zoals Socrates, je lichaam te verstenen en wordt je ook niet meer geleefd door je driften zoals Alcibiades.
Deze weg van de liefde vraagt een lang en gedisciplineerd onderzoek, maar een onderzoek waarin je wel jezelf mag voelen, waarin je je lijf mag leven en de rede op een liefdevolle manier inzet in verbinding met je lijf. Zowel vanuit oosterse wijsheid als vanuit recente wetenschappelijke inzichten is het eeuwenlange of-of denken over seksualiteit een vergissing. De liefde is de mogelijkheid de ogenschijnlijk niet te verbinden werelden wel te verbinden. We hoeven niet te kiezen.
Machteld Allan (red.): Hoe te beminnen, filosofen over seks. Meulenhoff, Amsterdam, 2007. ISBN 9789029079181, euro19,90.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.