In de Maand van de Spiritualiteit spreekt Trouw met markante persoonlijkheden over hun spirituele ontwikkelingsweg. Vandaag (slot): Chiara Bots, zuster in het clarissenklooster in Megen.
’Ik kan zo intens met God bezig zijn en me gelukkig voelen, dat ik denk: dieper kan niet”, zegt zuster Chiara (61) over het kloosterleven.
En toch kan het. Al 33 jaar leeft ze in een klooster waar alleen bij de koffie (15 minuten) en tijdens de ’recreatie’(30 minuten) gepraat wordt. Ze heeft een kamer met daarin een tafel, stoel en bed. Ze bezit enkele boeken en wat kleren, meer niet. „Als ik op reis ga, neem ik boterhammen mee, want luxe broodjes passen niet bij onze levensstijl.”
Zuster Chiara is van ’alles of niets’ en haar verlangen naar God is zo sterk dat ze daar alles voor over heeft. Het leidt naar een rijk religieus leven. „Men zegt wel dat het religieuze leven is als bergbeklimmen. Je cirkelt om de berg heen naar boven. Op momenten heb je zicht op de top, en al klimmende komt die steeds dichterbij. Ikzelf vind het mooier te spreken van afdalen in mezelf. Ik geloof dat ik een kern in me heb die God is of van God is. Je denkt: nu voel ik het, maar dat gevoel wordt vervolgens steeds normaler, tot de volgende keer dat je weer zoiets intens voelt en je denkt: goh, het is nu nóg intenser dan de vorige keer, nu gaat het tot in mijn merg.”
Op haar vijftiende wilde ze al in het klooster. „Maar mijn biechtvader vond me wel heel erg piep.” Haar wens kwam voort uit de ontdekking van de mis. „Ik had er een intens gevoel van aanwezigheid, en dat gaf het gevoel van rust en vrede. Daarvoor spijbelde ik nog weleens tijdens schoolmis, maar vanaf toen ging ik fanatiek elke dag.”
Ze werd docent verpleegkunde in het Burgerziekenhuis in Amsterdam en deelde met vrienden een flat in de Bijlmer. „In 1973 zat ik ’s avonds op mijn kamer toen ik intens ben aangeraakt door God. Ik werd bij mijn nekvel gepakt, zo van: ’ik wil jou’.”
Vanaf toen is Chiara Bots op zoek gegaan naar een kloosterorde. Het was in een tijd dat kloosters juist massaal leegstroomden. „Vrienden en collega’s verklaarden me voor gek. En ook in mijn familie waren de reacties gemengd. Ik ben bij de verschillende kloosters gaan kennismaken, maar elke keer dacht ik: dit is het niet. Vooral voor hiërarchie was ik allergisch. Ik was heel zelfstandig, had een leidinggevende baan. In een groep gaan zitten waarin je niks te zeggen hebt, is dan heel moeilijk.’’
Een jaar later had ze haar plek gevonden: niet bij een congregatie, waar ze nog verpleegster had kunnen blijven, maar bij een contemplatieve orde, die van de clarissen, opgericht door Clara, de vrouwelijke Franciscus van Assisi. „Op de avond voordat ik voor een kennismaking zou afreizen, wist ik opeens heel sterk: dit wordt mijn plek. De volgende dag antwoordden de clarissen op mijn vraag hoe ze dachten over gehoorzaamheid: ’voor ons is dat ’samen horen’. Het voelde als thuiskomen.”
Het beantwoordde helemaal aan haar verwachtingen, zegt ze. Toch waren er momenten van vertwijfeling. „Je neemt met het toetreden het besluit om niet te trouwen en geen kinderen te krijgen. Maar zulke besluiten moeten met vlagen weer bevochten worden. Als ik op straat kinderen zie spelen of in de bus een vader met zijn dochtertje op schoot zie zitten die als twee druppels op elkaar lijken. Toen mijn broer en schoonzus op bezoek kwamen met hun twee kleine kinderen, heb ik het heel moeilijk gevonden. Later heb ik dat aan mijn schoonzus verteld. Ze zei dat ze het aan me hadden gezien. Maar dat zij op haar beurt wel eens verlangt naar meer tijd voor God, zonder dat daar gelegenheid voor is. Elke keuze heeft zijn beperkingen.” Zuster Chiara is ’gelukkig nooit verliefd geworden’, zegt ze. „Die strijd heb ik niet hoeven strijden. Een relatie is niet te combineren met je zo aan God binden als ik doe.”
„Het kloosterleven is net als een liefdesrelatie tussen man en vrouw. In het begin was ik verliefd op God. Alles was mooi en goed. Langzamerhand kwam ik ook de andere kanten tegen. Maar dan stond ik later weer in de kerk en wist ik: dit is toch mijn plek, hier moet ik zijn.”
„Je kunt niet altijd op de top zitten, je moet ook de berg weer af. Je hebt pieken en dalen. Er zijn periodes dat ik het te druk heb, niet in de stemming ben en verstrooid en het gevoel heb weinig bij God te kunnen zijn. Ik verbaas me erover dat Hij er toch altijd weer is na zo’n periode. Hij was er dus al die tijd wél, ík was er alleen niet. Fascinerend te zien dat je dit na jaren niet alleen weet, maar ook steeds sterker gaat ervaren.”
Vijf keer per dag is er de gebedsdienst. „Er zijn momenten dat ik geen zin heb, maar ik ga altijd wel. Het is de grond van mijn bestaan, het maakt ontvankelijk, zónder zou mijn relatie met God verdorren. Omdat ik ’s morgens psalmen heb gezongen, kan ik de sfeer meenemen naar de keuken. Omdat er geen radio is en we niet kletsen, blijft die sfeer van gebed hangen, al roerend in de pap of onkruid wiedend in de kruidentuin. Ik kan Hem zo overal beleven.”
Toen zuster Chiara in het klooster kwam was het Latijn nog niet zolang afgeschaft. Men bediende zich van in het Nederlands vertaalde teksten op stencils in een ringband. „Dat was best moeilijk. Latijn kende iedereen wel, maar toch begreep je het niet voortdurend letterlijk. In het Nederlands kwam de betekenis van de woorden veel intenser binnen. En vaak worstelden we daardoor met de te platte taal. Sinds alweer vijftien jaar hebben we eindelijk een volwaardig Nederlands psalmenboek, met heel poëtische teksten, waar je lang mee voort kunt. Steeds gaan er weer andere zinnen open.”
Waar de traditie vandaan komt, weet niemand, maar regelmatig komen er mensen naar het klooster om een worst te brengen met het verzoek te bidden voor mooi weer, vertelt zuster Chiara. „Dat doen we dan ook. Maar zelf kan ik niet bidden voor mooi weer. Ik bid er wel voor ’dat hun vertrouwen in het gebed niet beschadigd wordt’. Sommige andere zusters kunnen het wel, maar ik kan niet bidden dat mensen geen ongelukken of ziektes krijgen. Als mijn broer naar Australië vliegt, kan ik niet aan God vragen om dat specifieke vliegtuig niet naar beneden te laten donderen omdat mijn broer erin zit. Dan bid ik voor een ’behouden thuiskomst’. Ik geloof niet in een God die boven aan de touwtjes trekt. Dat is te menselijk gedacht.”
Ze gelooft in ’de kracht van het gebed’, maar niet te letterlijk. Toch kan ze worstelen als een dierbare overlijdt: waarom moest dat gebeuren? Dat God haar bij ’het nekvel pakte’ om haar naar het klooster te krijgen, vindt ze ’iets heel anders’ dan dat God iemand van kanker zou genezen. „Toen bij mij ging het om een persoonlijke relatie.”
In 1989 sloot het te sterk vergrijsde klooster van haar intrede haar poorten en verhuisde ze naar het klooster in Megen. Stellig weten dat ook dit klooster over twintig jaar nog bestaat, kan ze niet. Er wonen nog twintig zusters van tussen de 23 en 90 jaar. „Ik durf niet te zeggen dat we dan nog bestaan. Maar het zou eigenlijk wel moeten. Er zijn plekken nodig waar mensen God kunnen ervaren en ontdekken dat stil en eenvoudig leven niet eentonig en saai hoeft te zijn. Helemaal nu God in de wereld steeds meer verzwegen wordt.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.