Voor Reinoud van Vught ligt het accent op de fysieke omgang en ervaring met verf. Je kunt wel zien dat Jackson Pollock zijn held is.
Een grote zolder in Tilburg ruim vijftien jaar geleden. Schilder Reinoud van Vught (1960) staat daar tussen gipsen kruisen en heiligenbeelden. De ruimte diende als opslag voor afgedankte beelden van het nog draaiende klooster beneden. Van Vught zocht toch naar een motief. Vandaar dat deze voorwerpen als vanzelf op het doek terechtkwamen. Eerst nageschilderd, nagebootst. Maar dat leverde geen bevredigend resultaat op.
„Er zat voor mijn gevoel te veel afstand tussen het onderwerp en de verf. Ik houd van de directe fysieke ervaring van verf. Uit onmacht heb ik toen een kruis zelf beschilderd en het vervolgens in een dikke laag verf op het doek gedrukt. Dat gaf een verrassend effect. Bovendien zat je het onderwerp dicht op de huid.” In diezelfde periode maakte Van Vught van de beelden afdrukken op papier. Het zijn die schilderijen en afdrukken die het begin en het eindpunt vormen van de tentoonstelling die De Pont in Tilburg onder de titel ’Naturen’ presenteert.
Tussen het recente werk hangen enkele sleutelstukken uit eerdere periodes. Dat levert niet alleen veel kijkgenot op, de presentatie maakt ook een paar verbanden helder die op hun beurt iets duidelijk maken over Van Vughts werkwijze. Die vertoont in bepaalde opzichten overeenkomsten met die van de Amerikaanse schilder Jackson Pollock, beroemd vanwege zijn ’drippings’. Hij is een van Van Vughts helden.
Net als voor Pollock ligt voor Van Vught het accent op de fysieke omgang en ervaring met verf. Al op de kunstacademie liet Van Vught zich niet beperken tot penseel en paletmes. „Daar liep ik toen al met een veger rond in plaats van een kwast. En als we heel traditioneel aan het modeltekenen waren, dan zat ik op de grond, het liefst zo dicht mogelijk op het model. Dat fysieke heeft er bij mij altijd in gezeten.”
Intussen heeft Van Vught zijn arsenaal technieken en hulpmiddelen uitgebreid tot hele emmers water, zijn handen, etspersen en golfballetjes. Niets is hem te gek, zolang het resultaat hem maar kan verrassen.
Normaal gesproken werkt Van Vught in serie aan een flink aantal doeken tegelijkertijd. Dat kunnen er best 20 of 30 zijn. Ze liggen allemaal op de grond van zijn atelier. Zelf zit hij er op de grond tussen. Daar begint hij zonder voorop gezet plan of doel te experimenteren met een nieuwe techniek of werkwijze. Als het ene doek moet drogen of hij loopt erop vast, gaat hij verder met het volgende.
Tegenover de kleine kruisafdrukken hangen in Tilburg recente schilderijen waarbij Van Vught planten heeft beschilderd en afgedrukt. „In Eindhoven had ik de beschikking over een grote etspers. Op weg daarnaartoe ben ik gestopt om een grote bos bloemen te plukken. Kaardenbollen bijvoorbeeld. Die heb ik beschilderd en op papier met verf door zo’n pers gedraaid. Een soort vieze oersoep ontstaat er dan. Die fysieke sensatie, dan ben ik helemaal in m’n element.”
Van Vught begint altijd vanuit de verf, die wijst hem de weg. Het is een eindeloos werken, kijken en wachten. En weer opnieuw doen. Want het gaat om die momenten waarop de gedachten niet meer tussen de schilder en de verf zitten. Die momenten zijn niet af te dwingen. Ze ontstaan alleen maar door heel vaak doen, door ervaring. Handwerk dus. En vertrouwen hebben.
Ondanks dat de verf essentieel is voor Van Vught, wil dat niet zeggen dat zijn werk alleen over schilderkunst en de grote meesters gaat. Hij heeft ook grote interesse voor het begin van leven, voor genetisch onderzoek, voor de kosmos en planeten en de natuur. Ook dat is duidelijk zichtbaar op de expositie. Aan de rand van de expositie bevinden zich twee prachtige waterspiegelingen die aan ribbels zand en Monets waterlelies doen denken, terwijl in de twee grotere zalen veel doeken hangen waarop zwevende organische vormen waar te nemen zijn. Associaties buitelen hier over elkaar: zijn het cellen onder de microscoop, begin van leven in de baarmoeder, hersenen of misschien toch leven buiten de dampkring? Nergens worden de schilderijen anekdotisch. In ieder geval bezitten deze doeken iets kosmisch of spiritueels.
Dat kosmische of spirituele hoeft geen verbazing te wekken. Van Vught heeft immers samen met Marc Mulders, Paul van Dongen, Guido Geelen en Ronald Zuurmond de Tilburgse School (1997 t/m 2006) gevormd. Voor deze kunstenaarsgroep vormden ambachtelijkheid en experiment, thematiek en traditie van het katholiek geloof, belangrijke uitgangspunten. Waar Mulders en Van Dongen echter expliciet nieuwe vormen bedenken voor traditionele katholieke symbolen, zet Van Vught zijn katholieke wortels om in een meer algemeen spirituele ervaring, zoals je die kunt opdoen in de natuur.
Vandaar ook dat groei, bloei en verval zoals die in de natuur voorkomen, parallel lopen met de manier waarop de schilderijen en afdrukken bij Van Vught ontstaan. Het is eenzelfde soort scheppen. Ook bij Van Vught liggen verval en groei dichtbij elkaar. Tijdens het ontstaansproces kent hij een fase van destructie. De anekdote en de schilder uit de kunstgeschiedenis waar hij op dat moment veel naar kijkt, moeten uit het doek verdwijnen. „Ik moet ze vermoorden, anders ontstaat er geen nieuw beeld. In deze momenten van wanhoop is het alles of niks. Een gevecht tussen beheersing en loslaten, tussen denken en doen.”
Hoewel de schilderijen en afdrukken van Van Vught structureel titelloos zijn, vond hij het tijd om deze tentoonstelling wel een titel mee te geven. Dat is ’Naturen’ geworden. Vanwege de diversiteit aan technieken en uiterlijkheden. Maar ook om de woordspeling na-turen, die erin opgesloten zit. Want uiteindelijk gaat het ook om het kijken, het overdenken of misschien wel navoelen. Want Van Vught wil per saldo de wereld die wij niet kunnen zien, maar die volgens hem wel bestaat, in verf vangen. „Er is altijd iets tussen de dingen. Het lijkt alsof ik dingen schilder vlak voor ze bestaan of vlak daarna.” Naschilderen levert daarbij niks op. Het zal uit de verf zelf moeten komen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.