*

 

Eerste prijs: Aukje Trotsenburg Oorlog rond de slotgracht

Door: redactie − 17/11/07, 02:27

Juf Aukje moet op vredesmissie wanneer groep zes het aan de stok krijgt met haar vierdegroepers. Wereldproblemen in een notendop.

Lusteloos met een waaier wapperend, dicteer ik een lesje. ’Het dunne jongetje eet een lekkere peer. Vijf spellingsregels’, mompel ik plichtmatig.

Als verflenste radijsjes hangen mijn vierdegroepertjes boven hun tafels. Van binnen pittig, van buiten slap. De plantenspuit staat binnen handbereik op mijn bureau. Af en toe komt een oververhitte leerling een gezichtsdouche halen.

Vingers schieten her en der de lucht in, ten teken dat ik ’te snel’ ga. Als ik nog trager sprak, zou ik de woorden per letter aanbieden, denk ik moedeloos. Traag zeilt een bromvlieg naar de gang. T-shirts worden steels uitgetrokken. Een paar jongens zitten volledig in hun blote bast. Ik zie het door de vingers.

„Femke”, zeg ik, „wil jij ieder kind een A-viertje geven? Dan kunnen ze een eigen waaier vouwen.” Het geluid van de stilte zwelt aan. Als we onszelf op een vlot het zeegat uit zouden waaieren, zouden we met gemak zeven knopen wapperen.

Er zijn diverse voorzieningen getroffen om ons lokaal op temperatuur te houden. Ze werken niet. De ramen slaan naar binnen toe open. Vaak tegen kinderhoofden. De elektrische zonweringen zoeven na een druk op de knop op spectaculaire wijze naar beneden. Om ons daarna meedogenloos af te sluiten van elk verkoelend briesje.

Eigenzinnig gaan we, ook met het scherm neer, gewoon door met ademhalen. Ook al ruikt de klas binnen vijf minuten zo bedompt als een apenverblijf. Toch maar weer omhoog, die gordijnen. Dan maar in de schelle zon.

„Nu is het genoeg!”, onderbreek ik plotseling mijn dictee. Een paar kinderen beginnen mechanisch aan het noteren van deze zin. Anderen schrikken: wat hebben ze nu weer gedaan? „Schriften, potloden, puntenslijpers en gummen mee”, roep ik door de klas, ’waterfles vullen en in je rugtas stoppen, we gaan werken in het plantsoentje!’ Gejuich stijgt op. Sneller dan ooit staat de groep twee aan twee klaar in de rij.

Vervuld van didactische voornemens, ga ik met de docentenhandleiding onder de vochtige arm op pad. Eenmaal bij het veldje geef ik de gedachte dat ik hier les zal kunnen geven meteen op.

Stratenmakers blijken de straat te hebben opgebroken en het strand onder het plaveisel te hebben ontdekt. Vermoedelijk zijn ze daarna spoorslags naar een badplaats afgereisd. Onwillig hallucineer ik over hun ijskoude stratenmakerspilsjes.

Uit het losgewrikte materiaal blijkt een puike hut opgetrokken, de onderkant van baksteen, de bovenkant en het dak van houten schotten. „Weet je wat”, improviseer ik, „We maken straks dat dictee wel af, eerst doen we een rekenles. En dit keer bouwen jullie niet met die malle minirekenblokjes, maar met lekkere grote stratenmakersspullen.” Voor de vorm zeg ik nog: „En maak een werktekening achterin je dicteeschrift.”

Dan zijg ik loom neer onder een boom. Een paar groepjes kinderen roep ik bij me om de gemaakte plannen door te nemen. Waarna ik wegzak in een aangename, halfalerte middagsluimering. Voor mijn half geloken ogen wordt al snel een stadspaleisje opgetrokken. Er is voorzien in een veranda, een slotgracht en een glijbaan, om het pand, mocht dat nodig zijn, snel te kunnen verlaten.

Van de hut van een kwartier geleden is niets meer over, constateer ik tevreden. Alle materialen zijn op een andere manier ingezet. Wat heb ik toch een creatieve groep. Dan: een getergd krijgsgehuil. Groep zes komt eraan.

Wat of die kleintjes met hun hut gedaan hebben, vragen ze. Eruit met die papkinderen! Zij hebben hier als eersten gebouwd. Zij hebben de oudste rechten.

Openlijke vijandigheden breken uit. Zesdegroepers klimmen op het dak van het paleis en gieten flessen water leeg door de kieren in het dak. Op de verbouwereerde koppen van mijn kinderen. Af en toe mikken ze er een zure schep scherp zand achteraan. Mijn bemodderde leerlingen zetten het eensgezind op een loeien.

Nu is het afgelopen! De juf van groep zes en ik roepen alle kinderen bij ons. We dwingen een wapenstilstand af. Eerst mogen de kinderen van groep zes tien minuten in de hut en dan de kinderen van groep vier. Zo gaan we door, om en om, tot we weer naar school gaan.

Morrend hervatten de kinderen hun spel. Tevreden feliciteren wij juffen elkaar met de soepele afhandeling. Tot er stenen, maat kinderhoofdje, door het dak gekeild worden... Hier trekken we de grens.

Groep zes verliest alle rechten. Aangevoerd door hun hoofdschuddende juf, vertrekken ze broeierig richting school. „We krijgen jullie nog wel!”, is de vriendelijkste bedreiging die uit de rij opstijgt.

Onze lol is er nu wel af. Binnen het kwartier zitten ook wij weer op school en in de kring. We bespreken de noodsituatie. Het eindigt ermee dat ik aankondig op vredesmissie naar groep zes te zullen gaan. Maar al te goed herinner ik me de oorlogen die in mijn eigen schooltijd werden uitgevochten. Met fietskettingen. De eerstkomende week wil ik mijn kinderen niet voortdurend over hun schouder zien kijken.

Maria biedt aan om mee te gaan. „Dan kan ik je bijstaan, juf!” Jan-Willem blijft niet achter. Hij wil ook mee: „Namens de jongens.” Driftig schrijven de kinderen stapels briefjes die ik voor hen zal overhandigen.

„Wij willen vrede, maar wij weten niet hoe!”, schrijft een kind. Ook tekenen ze strips waarop de helse strijd rond de hut wordt afgezet tegen een paradijselijk samenspelen in de toekomst. Wereldproblemen in een notendop.

In hun lokaal gekomen, zit groep zes het gebeurde nog te bespreken. We worden koel maar beleefd ontvangen. De kinderen leggen ons standpunt uit en dan overhandigt Maria de berg post. We druipen af.

We zijn alweer een uur beneden als gebeurt waar we niet meer op hoopten. Er wordt een tekening bezorgd van ons paleis. Met glijbaan. Met slotgracht. En met een gelukkig stemmend onderschrift: ’Veel plezier in de hut, groep vier! Groetjes, groep zes!’

iJuf Aukje heeft haar eigen website: http://jufaukje.blogspot.com/

mailIcon print |