Sinds de demonstraties door monniken in september dringt de sfeer van burgerlijke ongehoorzaamheid langzaam door in het publieke leven in Burma. Trouw-medewerkster Minka Nijhuis, die als een van de weinige journalisten het land binnenkwamen, ziet hoe het bewind, soms onzichtbaar, doorgaat met controle van de bevolking.
Het was rond middernacht toen de geheime dienst bij het huis van Zarganar in Rangoon arriveerde. „Ik was erop voorbereid. Veel andere vrienden waren de voorgaande dagen al opgepakt”, zegt Burma’s beroemdste komiek en acteur. Een tasje met medicijnen tegen een te hoge bloeddruk, maagtabletten en toiletspullen stond al een week gepakt. Terwijl de agenten drie uur lang zijn huis overhoop haalden, lag hij op zijn bed en keek naar de film ’The Departed’.
Er trekt een spottend lachje over zijn gemoedelijke gezicht, terwijl hij dat vertelt. De 46-jarige Zarganar (Tangetje, een pseudoniem dat verwijst naar zijn vroegere beroep als tandarts. Zijn echte naam is Thuya) is aanvaringen met het bewind gewend. In 1988 zat hij zeven maanden vast en in 1990 kreeg hij een gevangenisstraf van vijf jaar vanwege zijn kritiek op het bewind. „Deze keer wordt het vast twintig jaar”, dacht hij terwijl de beelden van politie en criminelen die elkaars organisaties infiltreren over het scherm gingen.
Met een populaire filmacteur, diens vrouw en een bekende dichter had Zarganar twee dagen lang voedsel en water uitgedeeld aan de demonstrerende monniken. De actie van de beroemdheden gaf een nieuwe impuls aan de protesten en ze wisten alle vier dat ze daarvoor opgepakt zouden worden. Zarganar werd een paar dagen in een detentiecentrum ondervraagd over zijn contacten met degenen die de protesten in gang hadden gezet. Hij praat erover op de wat laconieke toon waarmee ook veel andere politieke gevangenen in Burma pijnlijke herinneringen op afstand houden en die reduceren tot een anekdote. „Gautama (Boeddha)”, antwoordde hij op de vraag wie de leider van de monniken was. Hij werd nachten uit zijn slaap gehouden. Vervolgens werd hij in de beruchte Insein-gevangenis opgesloten, in een lage, donkere cel van een paar vierkante meter. Voor de tralies gromden twee politiehonden.
Toen hij na een week werd overgebracht naar een cellenblok waar meer politieke gevangenen zaten, was de ontvangst daar anders dan de vorige twee keer. De sfeer van burgerlijke ongehoorzaamheid die dagenlang in de straten had gehangen, was ook tot het grote gevangeniscomplex in het noorden van Rangoon doorgedrongen.
„Sommige bewakers vroegen ons onze protesten niet op te geven. ’Wij willen ook verandering. We rekenen op jullie’, zeiden ze.” Overdag openden ze de celdeuren en lieten de 24 dissidenten een paar uur bij elkaar zitten. Kan het wat zachter? vroegen ze, als Zarganar met luide stem boeddhistische mantra’s citeerde. Of als hij uit volle borst ’De bel van de gouden school’ zong. Het is een lied over het verzet vanuit de universiteiten dat zijn vriend Khun Saing een bekende politieke dissident, in de gevangenis componeerde. De enigen die niet meezongen waren drie gewonde monniken die zichzelf uit protest tegen hun detentie een zwijgplicht hadden opgelegd. Maar als de muziek door het cellenblok klonk, tikten ze zachtjes het ritme mee.
Toen Zarganar na 21 dagen werd opgehaald, was hij ervan overtuigd dat hem elders een cel te wachten stond. Het is routine dat prominente politieke gevangenen naar gevangenissen in verre uithoeken worden overgeplaatst. Zo moet voorkomen worden dat ze hun lotgenoten beïnvloeden met hun politieke ideeën en ook familiebezoek wordt daardoor bijna onmogelijk gemaakt.
Tot zijn verrassing werd hij vrijgelaten. Tot in de vroege ochtend zat hij aan de telefoon met vrienden, journalisten en dissidenten uit het buitenland. Zelfs de 91-jarige Hludu Daw Amar, de oudste en bekendste schrijfster van Burma, belde op vanuit het verre Mandalay. Ze huilde en zei: „Ik heb voor je gebeden”.
Op de tafel liggen twee mobiele telefoons die voortdurend rinkelen. In zijn paarsgeblokte longyi (sarong) en fluwelen slippers leunt hij ontspannen achterover terwijl hij met zijn karakteristieke bromstem de ongeruste echtgenote van een gevangene te woord staat. „Nee, maak je geen zorgen. Hij is in orde”, verzekert hij haar. Op de vragen over het lot van een aantal anderen moet hij echter het antwoord schuldig blijven. Ook de media weten hem nog steeds te vinden. En regelmatig bellen de agenten van de geheime dienst om hem te laten weten dat de interviews die hij geeft hen niet bevallen. Hij haalt zijn schouders op. „Ik vertel de waarheid. Als ze daar niet tegen kunnen sluiten ze me maar weer op.”
Het personeel van het restaurant kijkt hem glimlachend na als hij naar buiten loopt. Op straat wordt hij gegroet. „Set loke par, doorgaan alsjeblieft”, roepen mannen vanuit een volgepakte bus.
Zarganar is bezig met een ronde langs een aantal van de tientallen kloosters in Rangoon om voedsel te doneren. Bezoeken aan pagodes worden door de junta, de State Peace and Development Council (SPDC), met grote argwaan bekeken. Sinds de protesten in september probeert het bewind de monniken en de bevolking uit angst voor nieuwe demonstraties zoveel mogelijk van elkaar te isoleren. Sommige Burmezen voorspellen dat over een tijdje de kloosterscholen naar ver buiten de steden verplaatst zullen worden. Net zoals dat na de grote demonstraties van 1988 die door studenten werden geleid, met de universiteiten gebeurde. Om te benadrukken dat de monniken in de kloosters in plaats van in de straten thuis horen, laat de staatstelevisie avond aan avond beelden van studerende monniken zien.
Ook militairen die giften doen, verschijnen uitgebreid in de media. Sommige monniken accepteren de donaties, maar in veel andere kloosters geldt de religieuze boycot, de patta ni kozana kan, die na het geweld werd ingesteld. Bij een pagode in Rangoon liggen zakken rijst die het leger bracht al dagenlang demonstratief onaangeroerd.
Diverse monniken laten weten dat ze Zarganar niet durven te ontvangen. Maar in het kleine, sober ingerichte klooster met mintkleurige wanden en zware ventilators aan het hoge plafond is hij welkom. Tientallen monniken en nonnen doen zich tegoed aan de rijst, curry met kip en groente die op de lage ronde tafels staat. Daarna prevelen ze hun gebeden en zegenen de zakken rijst en flacons met bakolie die Zarganar meebracht. Tevreden overziet Zarganar het tafereel. Religie kunnen ze toch niet verbieden, constateert hij. Van een eeuwenoude religieuze handeling is het doen van donaties een daad van verzet geworden. Een dag later belt de geheime dienst om te vragen waarom hij in het klooster was. Bij de afgebladderde okergele ingang van het klooster staan vervolgens twee agenten in burger te posten. Kort daarna wordt Zarganar opnieuw voor ondervraging meegenomen. 24 uur later is hij weer vrij.
Politieke gevangenen fungeren al jaar in jaar uit als wisselgeld om internationale druk te reduceren. Zodra die buitenlandse aandacht afneemt, is hun vrijheid meestal weer voorbij. Slechts een kleine minderheid is net als Zarganar internationaal bekend en geniet daardoor een zekere bescherming, al gaat die protectie lang niet altijd op. Bo Kyi van AAPPB, de associatie van assistentie aan politieke gevangenen die vanuit Thailand werkt, zegt dat zijn organisatie de namen heeft van ruim 650 personen, onder wie veel monniken, studenten en leden van de oppositiepartij de Nationale Liga voor Democratie (NLD), uit verschillende delen van het land die de afgelopen weken zijn gearresteerd. Waar ze vastzitten is lang niet altijd bekend en ook verder is de lijst niet compleet. Er zijn bovendien nog tientallen vermisten, voornamelijk afkomstig uit Rangoon. „We maken ons de meeste zorgen om degenen die geen status hebben, zoals onbekende activisten en gewone leden van de NLD”, zegt Bo Kyi. De autoriteiten hebben verklaard dat er 3000 mensen werden opgepakt, maar dat de meesten weer zijn vrijgelaten. Volgens deze officiële versie zouden tien doden gevallen zijn. Uit allerlei bronnen blijkt echter dat het dodental mogelijk tussen de 120 en de 200 ligt. AAPPB is er slechts in geslaagd de namen van zeventien slachtoffers bevestigd te krijgen. Twee van hen, Win Shwe, een lid van de NLD uit Kyaukpadaung, in centraal Burma, en Soe Myint, een activist uit Rangoon, overleden in detentie. En zelfs de doden worden niet met rust gelaten.
Een winkelierster in Rangoon vertelt hoe het lichaam van de zoon van een vriendin door de militairen uit huis werd weggehaald. Het gezin kreeg 100.000 kyat, 60 euro, ter compensatie. Het bewijs dat de jongen door een kogel was getroffen moest zo snel mogelijk verdwijnen. Diverse getuigen bevestigen dat er sluipschutters zijn ingezet om met leiders in de demonstratie af te rekenen. Zo circuleren er flarden van de gruwelijkheden door het hele land. Maar de ware omvang blijft onduidelijk. Het is aan Paulo Sergio Pinheiro, de Braziliaanse mensenrechtenrapporteur van de Verenigde Naties, om die vast te stellen. Onder internationale druk en aan de vooravond van een Asean-overleg (Burma is sinds 1997 lid van de Associatie voor Zuidoost-Aziatische Naties) stond de junta een bezoek toe. De uitgesproken Pinheiro heeft in zijn loopbaan al talloze botsingen met de SPDC gehad omdat hij in zijn werk belemmerd werd. Tijdens zijn vorige bezoek in 2003 ontdekte hij dat er een recorder onder de tafel zat geplakt terwijl hij politieke gevangenen ontmoette. Woedend verliet hij het land.
Tijdens zijn recente vijfdaagse verblijf sprak Pinheiro met monniken wier kloosters door het leger overvallen werden en met een aantal prominente politieke gevangenen. Ondanks zijn verzoek kreeg hij geen toegang tot oppositieleidster Aung San Suu Kyi of tot Min Ko Naing, een van Burma’s bekendste dissidenten. Ook gevangenen die in detentiecentra vastzitten bleven buiten zijn bereik. En ondertussen vonden nieuwe arrestaties plaats. Zo werd de activiste Su Su Nway (34) opgepakt. Ook U Gambiya, een van de ondergedoken leiders van de monniken, verdween achter de tralies. Volgens zijn moeder is hem landverraad ten laste gelegd. Daarop staat levenslang.
In de vroege ochtend zijn er nog altijd minder monniken op straat om hun bedelrondes te maken, maar verder oogt het straatbeeld zoals altijd. Op het trottoir staan stalletjes uitgeklapt die mohinga verkopen, een traditioneel ontbijt van vissoep. In lange rijen slierten kinderen naar school in hun flessengroene longyi’s. Op hun wangen cirkels van verse thanaka, een zacht geurende pasta die de huid soepel maakt en tegen de zon beschermt. In een kakofonie van stemmen prijzen handelaren hun waren aan.
De pogingen om de opstandige miljoenenstad onder controle te houden zitten grotendeels verborgen. De extra militairen blijven buiten zicht doordat ze op hun bases blijven of in burger zijn. Wel wordt er verdacht veel gebezemd. Volgens lokale journalisten zijn de schoonmakers leden van aan de junta gelieerde knokploegen die al vegend de wijken in de gaten houden. Ook op een van de uitvalswegen buiten Rangoon blijkt hoe groot de controle is. Bij wegversperringen worden auto’s doorzocht. Opzij van de weg staan agenten in burger foto’s van reizigers te maken.
Bij het vallen van de avond raakt een schrijver in Rangoon in een bespiegelende bui als de gebeurtenissen van de afgelopen weken ter sprake komen. Hij is niet de enige die opmerkt hoe inwisselbaar de gezichten van de monniken en de soldaten die tegenover elkaar in de straten stonden waren. „Beiden jong, beiden afkomstig uit arme families. Het leger of de monnikenorde zijn de enige keuzes die ze hebben”, zegt hij. Ook hun aantallen komen overeen, zo’n 400.000. „We zeggen altijd dat ons land drie zonen heeft. De monniken, de studenten en de soldaten. De eerste twee hebben hun taak verricht. Nu de derde zoon nog.”
Maar voorlopig zijn er geen tekenen van verandering binnen het leger. Hoewel veel verhalen over meningsverschillen en persoonlijke conflicten binnen de junta de ronde doen, houden gemeenschappelijke belangen als macht en geld de generaals bijeen. Zodra regionale commandanten een eigen machtsbasis dreigen te ontwikkelen, worden ze overgeplaatst. Vooral onder reguliere soldaten is veel onvrede vanwege de vaak deplorabele omstandigheden waaronder ze moeten werken. Maar op deserteren staan strenge straffen en de mogelijkheden voor een andere baan zijn gering.
Ook is er veel onwetendheid. Terwijl vele Burmezen dagelijks naar Burmese zenders uit het buitenland luisteren, wordt dat nieuws bij militairen zoveel mogelijk weggehouden, ook worden ze zwaar gehersenspoeld. Een studente die via internet regelmatig chat met jonge Burmese officieren die in Moskou worden opgeleid, zegt: „Ze geloofden me gewoon niet toen ik hun vertelde hoe gewelddadig hun collega’s thuis de protesten hebben neergeslagen.”
Ondertussen probeert VN-gezant Ibrahim Gambari het politieke proces vlot te trekken. Hij noemt het hoopvol dat oppositieleidster Aung San Suu Kyi haar partijgenoten voor het eerst sinds drie jaar weer mocht ontmoeten en zich bereid verklaarde met de junta samen te werken. Veel Burma-kenners hebben hun twijfels of die eerste stappen een betekenisvol vervolg zullen krijgen. De generaals spelen immers al jarenlang een schaakspel met de oppositie en de internationale gemeenschap. En al laten steunpilaren van het bewind als India en China zich achter de schermen kritischer uit dan voorheen, ze wachten zich voor al te veel druk op het regime en zijn tegen de sancties die in internationale fora besproken worden. Er zijn bovendien andere tekenen die reden geven tot scepsis. Door het hele land vinden al wekenlang massale bijeenkomsten plaats waar burgers hun steun aan het bewind en de nieuwe grondwet, die zonder deelname van de oppositie is geschreven, moeten betuigen. Hoewel de staatskrant aan het gesprek tussen Suu Kyi en een vertegenwoordiger van het bewind refereerde, is de toon ook onverzoenlijk. ’Geen reden om van koers te veranderen’ en ’Laat ons met rust’ kopte het blad onlangs nog. En de oppositieleidster zit nog altijd onder huisarrest. Veiligheidstroepen bij driedubbele barricades met prikkeldraad en een rood bord met restricted area houden University Avenue afgesloten. Even verderop hangt aan het hek van haar huis een tekst die Suu Kyi van gele stof naaide. Het is een van de mantra’s die de monniken citeerden voordat ze uit de straten werden verdreven: „Awe par han tu, Moge iedereen vrij van letsel zijn.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.