*

 

Miep Meinema-Meinema 1919-2007

Esther Hageman − 07/11/07, 02:26

Miep Meinema-Meinema, beter bekend als ’Mevrouw Meinema’, zette in Delft een vrijwilligersorganisatie op waar iedereen welkom was.

De kinderen van Miep Meinema doen het nog wel eens na: hoe het gebit van een van de gasten tijdens het kerstdiner op half zeven hing. Zodat je zelf opeens niet meer zo’n zin in eten had.

Met Kerst zaten bij de familie Meinema namelijk altijd wel een paar gasten aan tafel met wie ’iets was’. En door het jaar heen ging om etenstijd bij de Meinema’s vaak de deurbel. „Oh, daar heb je weer een pv’tje”, zeiden de kinderen dan – hun afkorting voor ’probleemvrouwtje’.

Als ze bezwaar maakten dat er nou alweer werd gebeld, of dat het dit jaar weer geen kerstdiner in intieme familiekring zou worden, zei Miep Meinema nooit iets terug. Dat deed ze evenmin wanneer ze opperden dat mensen hun problemen misschien ook aan zichzelf te danken hebben, of dat een mens toch voor zichzelf zou moeten zorgen.

Hun moeder ging er niet op in en deed het precies zoals ze het wilde.

Miep Meinema, in Delft beter bekend als ’Mevrouw Meinema’, was het boegbeeld van wat begin jaren zeventig begon als het Jongerendia-conaat en tegenwoordig het Stadsdiaconaat heet. Het ontstond toen een handvol leden van de Studentengemeente die samen een discussiegroep vormden, haar belde. Ze hadden eigenlijk wel genoeg van discussies. Ze wilden liever iets concreets doen. Kon mevrouw Meinema, diaken van de gereformeerde kerk, hen misschien aan taken helpen?

Miep Meinema had al jong meegekregen dat er geen rare mensen bestaan. Ze groeide op als kind van een instituutspsychiater. Ze verhuisden een paar keer, maar woonden altijd op het terrein van de inrichting. Ze kon er kleurrijk over vertellen: van die man die altijd gebogen liep omdat hij ’zijn vrouw op zijn rug had’. Of van die man die haar als klein meisje het schrift met zijn memoires liet lezen – waarin alleen losse letters bleken te staan. Er was bij Miep Meinema niet zo snel iets gek.

Ze was in 1946 getrouwd met Henk Meinema, haar achterneef. Tijdens hun jeugd kenden ze elkaar niet, maar bij een familiereünie hadden ze elkaar ontmoet en waren verliefd geworden. Hij leidde de gelijknamige uitgeverij, van boeken met een vaak christelijke signatuur. Maar allebei waren ze zoetjesaan progressiever dan hun gereformeerde kerk, waar ze allebei diaken waren, en linkser dan hun Anti-Revolutionaire Partij. Ze waren van het type dat begin jaren zeventig zou overstappen naar de PPR, de Politieke Partij Radicalen.

Maar haar man overleed totaal onverwacht in 1970, aan een hartstilstand. Drie van de zes kinderen die ze inmiddels hadden woonden nog thuis – de jongste was dertien. Haar man had al een paar gesprekken gevoerd over een jongerendiaconaat, maar nu hij er niet meer was, voelde het voor haar als ’zijn werk voortzetten’ om het echt van de grond te krijgen. Overigens tegen de zin van de officiële kerk, want die vond dat de jongeren eerst maar eens belijdenis moesten doen.

Het lukte. Wat begon met zes mensen, was 25 jaar later een vrijwilligersorganisatie van 120 man die op bezoek gingen bij mensen die vereenzamen, of invalide zijn en zonder hulp niet buiten komen, of bij wie in huis een klusje gedaan moet worden waarvoor ze geen geld hebben. Iedereen kon vrijwilliger worden – ook voormalig psychiatrisch patiënten. En iedereen kon hulp van een vrijwilliger krijgen, ongeacht geloof.

Er was maar één voorwaarde: wie afsprak iets met iemand te gaan doen, moest dat ook echt doen. Niet komen opdagen, dat kon niet. Maar als het niet werkelijk klikte tussen een vrijwilliger en een hulpvrager was dat geen schande. Even goede vrienden: dan zocht mevrouw Meinema een betere match. Een vrijwilliger moest z’n taak wel leuk vinden; het moest geen corvee zijn.

Ze is tot 1992 de spil van de organisatie gebleven en maakte de veranderingen mee: hoe het aantal studenten-vrijwilligers afnam toen de studiefinanciering verslechterde en dat noopte tot betaalde baantjes. En, hoe zulk werk in tijden van banenkrapte op het curriculum vitae wordt gezet en dan soms werkt als een aanbeveling. Of hoe vutters na een maand of zes niksdoen met beide handen de kans grepen om vrijwilligerswerk te doen.

Buitenshuis in Delft was ze een autoriteit. Bij haar kinderen minder. Ze werden er soms kwaad om, dat hun moeder nooit iets voor zichzelf wilde of vroeg. In grotere gezelschappen voelde ze zich nooit op haar gemak, dan was het of ze verschrompelde. Maar ze was te bescheiden om, toen haar gehoor slechter werd, zelfs maar te vragen of men iets harder wilde praten.

In de hoge ouderdom dreigde ze daardoor te vereenzamen. Lezen werd moeilijk en pianospelen ging niet meer sinds ze, vanwege de Ziekte van Dupuytren, haar verstijfde pink had laten amputeren. Ze had maar weinig vriendinnen; ze was eigenlijk altijd bezig geweest met het vrijwilligerswerk. En ze was niet het type dat van bingo houdt, of dat het op de dagopvang naar de zin zou hebben. „Ik had eigenlijk willen huilen, maar ik durfde niet”, zei ze toen de kinderen haar dat een keertje lieten uitproberen. Haar geest begon wazig te worden; in haar fantasie was ze zojuist nog voor het Stadsdiaconaat op huisbezoek geweest.

Ze wilde graag thuis overlijden – het was haar grootste angst dat ze naar een verpleeg- of bejaardenhuis zou moeten, hoewel ze er altijd achteraan zei dat ze ’niemand tot last wilde zijn’.

Nadat ze in september even in het ziekenhuis had gelegen en weer thuis was, begon ze te praten over doodgaan. De zes kinderen kwamen van heinde en verre naar hun ouderlijk huis en zorgden voor haar. De bevalling naar haar dood, zoals een van hen het noemde, duurde een paar weken. Het moest nou maar eens gebeuren, vond ze zelf.

Wilhelmina Frederika Marianne Meinema-Meinema werd op 27 maart 1919 in Amsterdam geboren. Ze overleed in Delft op 16 oktober 2007.

mailIcon print |