’Havo Zes’ zat vol rouwdouwers, maar dwarse Dylan was Vijand Nummer Een. Toch blijkt ook deze ruwe bolster een blanke pit te hebben.
Achter in de hoek bij de verwarming, pal voor de radiatorknop, daar zat de vijand. De vijand was half Surinaams half Nederlands en luisterde naar de naam Dylan, hoewel hij meestal nergens naar luisterde. Naast de vijand zat niemand, hij had twee plaatsen nodig. Een voor zichzelf en een voor zijn enorme jas. Hij bediende de radiatorknop achter zich altijd naar eigen inzicht.
Hij zou daar niet moeten zitten, dat wist ik heel goed, ik zou hem moeten gebieden vooraan plaats te nemen, zijn geschiedenisboek eens open te slaan, als hij het al bezat. Ik wist ook dat ik hem niet als ’de vijand’ mocht zien, ik behoorde vredespijpen met hem te roken. Maar stiekem was ik al tevreden met het feit dat hij er was, dat hij zijn jas uittrok, een daad waarmee hij leek te zeggen ’vooruit, ik blijf vandaag’.
Grotere overwinningen waren voorlopig onhaalbaar voor mij. Ik was nieuw, het jaar was nog vers, ik gaf ’maar geschiedenis’ en moest nog langer mee in deze klas. Want Dylan mocht dan de vijand zijn, de andere leerlingen van Havo Vier rekenden mij ook niet tot hun vriendenkring. Havo Vier, dat waren geen zachte eitjes. Net als de vijand waren nog vijf andere leerlingen al twee keer blijven zitten. ’Havo Zes’, zo heette de klas in de docentenkamer.
De vijand slofte binnen. Hij was te laat. Het was het laatste lesuur. Ik had net een videoband gestart over de koude oorlog, en een vragenblad uitgereikt. „Blij dat je er ook bent, Dylan”, loog ik. Hij zakte weg in zijn schuttersput, draaide de radiator open of dicht, dat kon ik niet zien. Hij hield zijn jas aan en sliep binnen vijf minuten.
Hij sliep ook door het lawaaiige klassengesprek heen, werd pas wakker toen ik zijn naam riep. Hij keek me woest aan.
„Dylan”, zei ik, „hoe denk jij hierover?” ’Hierover’, dat was de reactie van Amerika op de Cuba-crisis. De klas hield de adem in.
De vijand vouwde het blad met vragen dat onaangeroerd voor zijn neus lag tweemaal dubbel, liet het achteloos achter de verwarming vallen. Hij draaide de radiator lager en zuchtte als een vermoeide labrador. Hij zei niets. Ik moest reageren, de klas verwachtte het.
„Zeg Dylan, ik vind het best dat jij hier ligt te pitten, zolang je op het proefwerk maar niet gaat huilen om je moeder.”
De klas werd doodstil. Ik begon overal te zweten. Stoere taal was niks voor mij, waarom had ik me ertoe laten verleiden? Dylan stond tergend langzaam op. De bel sneed door de stilte. Havo Vier vloog uit de stoelen, de vijand werd in de massa opgenomen en verdween. Twee meisjes bleven achter, ze trokken hun kleren glad.
„Wat is er met Dylan vandaag?”, vroeg ik hen. Ze keken me vol minachting aan. In het weglopen zei een van de meisjes, half omkijkend, „Zijn moeder is dood, dat weet toch iedereen?”.
Ik wurmde me door de massa kinderen in de gang. Ik speurde door de krioelende menigte. Dylan was verdwenen, opgelost in de voortdurend bewegende brij van donkere jassen. Als ik hem niet zou vinden om mijn spijt te betuigen vóór de volgende les, dan was ik gezien in Havo Zes. Maar ik vond hem niet. Binnen tien minuten waren het plein en de fietsenstalling even leeg als mijn schuldige handen. Ik belde naar zijn huis, maar kreeg geen gehoor. Die avond belde ik nog twee keer naar zijn huis. Niemand nam op. Ik zou de klas morgen weer zien...
Havo Zes kwam de volgende dag tien minuten te laat binnen. Ik had het hart niet daar iets van te zeggen. Ik wachtte op Dylan, hem moest ik immers als eerste spreken. Hij kwam niet. Ik moest beginnen, ze zaten klaar om mij af te slachten.
„Ik heb gisteren iets ongelooflijk stoms gezegd, waar ik erg spijt van heb. Ik....”
Op dat moment ging de deur weer open. Dylan slofte naar binnen.
„...ik wil mijn excuses aanbieden, aan Dylan...”
Dylan bleef niet eens stilstaan. Hij had kennelijk helemaal geen trek het middelpunt van mijn mea culpa te worden.
„...ik zou het prettig vinden dat wanneer ik iets zeg wat kwetsend is... dat jullie me dan op de vingers tikken...”
Dylan ging zitten, op zijn plek achter in de klas. Hij zei niets, hield zijn jas aan. Het was zo stil dat je het zachte klotsen van de radiator kon horen. Ik greep de bordenspons, een klam, vies ding dat alleen door de schoonmakers gebruikt werd.
„... dat kun je doen door deze spons naar mij te gooien...”
Ik liep door de klas naar achteren, legde de spons op het lege tafeltje naast Dylan.
„..het is heel simpel. Ik geef hem aan Dylan, Hij bepaalt wanneer de spons gebruikt moet worden. Maar jullie mogen roepen ’Dylan!’ als je vindt dat ik iets heb gezegd dat kwetsend is, en dan voltrekt hij het vonnis.”
„Het spijt me”, zei ik tegen Dylan, terwijl de klas het voorstel fluisterend maar merkbaar opgewonden besprak.
Daarna vertelde ik over het einde van de koude oorlog, de val van de muur. Ik zei iets over Duitsers, iets over hun werklust en grondigheid.
„DYLAN!”, riep Jurgen, ook geen lieve jongen, vanuit de andere hoek in de klas. Dylan stond op, pakte de spons. Er ging een huivering door de klas. Er verscheen een grijns op zijn gezicht. De arm met de spons ging omhoog. De grijns werd een grimas. Als een honkbalpitcher haalde hij uit. Ik stond als versteend, wachtte gelaten op mijn vernedering.
Hij smeet de spons vol in het gezicht van Jurgen, die op twee stoelpoten zat en totaal verrast onderuit gleed. Havo Zes bulderde van het lachen.
Dylan liep naar het slachtoffer, eiste met een dwingende blik de spons op, liep mijn kant op, gaf mij de spons terug onder luid applaus. Havo Zes joelde nog steeds voor hem toen hij zijn jas uittrok, de radiator hoger zette en terugzakte in zijn stoel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.