In het vliegtuig dat boven Lockerbie neerstortte zat de broer van Ken Dornstein: David. Hij had schrijver willen worden. Jarenlang hoopt Ken roman te voltooien waar David aan werkte. In plaats daarvan schreef hij een ontroerend portret van zijn begaafde, naar liefde hunkerende broer.
Ken Dornstein: De jongen die uit de lucht viel. Uit het Engels vertaald door Thijs Bartels. Meulenhoff, Amsterdam. ISBN 9789029078870; 381 blz. euro 19,90
Op 21 december 1988 explodeerde een Boeing 747 van de Amerikaanse luchtvaartmaatschappij PanAm boven het Schotse plaatsje Lockerbie. Het vliegtuig, zo bleek vele jaren later, had boven de oceaan moeten ontploffen, maar de Libische daders, die in Malta een koffer met een bom in het vliegtuig hadden geplaatst, beseften niet dat er een uur tijdsverschil bestaat tussen Malta en Schotland. Alle 259 inzittenden en elf inwoners van Lockerbie kwamen om.
Een van de slachtoffers was de 25-jarige Amerikaan David Dornstein, die op weg was van Israël naar Philadelphia. Omdat hij zijn vader en broer Ken wilde verrassen, wisten die niet dat hij bij de ramp van Lockerbie was betrokken.
Een plotselinge dood doet de nabestaanden naar de zin van hun eigen leven vragen. Vroeg of laat zullen ze zich afvragen: waarom zij niet, en de ander wel; ze voelen zich schuldig omdat ze nooit de dingen hebben gezegd die ze hadden willen zeggen, of ze voelen zich verplicht het leven van de gestorvene op de een of andere manier voort te zetten. Ken Dornstein doet al die dingen, en meer.
’De jongen die uit de lucht viel’ begint met een verslag van de dag waarop het vliegtuig explodeerde; een gewone dag die kort onderbroken wordt door een televisiebericht van de ramp. Pas de dag daarna krijgt de vader van David en Ken via de telefoon te horen dat zijn oudste zoon dood is.
Ken vertelt dat hij nauwelijks reageerde. Hij schortte, schrijft hij, zijn verdriet op, en besloot zich om Davids nagelaten teksten te bekommeren. Van 1988 tot 2004 probeerde hij aan de hand van Davids duizenden brieven, aantekeningen en verhalen het leven van zijn broer zo nauwkeurig mogelijk te construeren. Vervolgens wilde hij een roman, waaraan David jarenlang had gewerkt, reconstrueren – die roman zou een eerbetoon aan Davids talent en originaliteit moeten worden.
De roman is er nooit gekomen; wel het verslag van Kens zoektocht naar zoveel mogelijk gegevens over Davids leven en dood.
Zestien jaar en meer dan driehonderd bladzijden had Ken nodig om de geschiedenis van zijn broer in kaart te brengen. Dat is veel, en soms is zijn verhaal veel te uitgebreid en langdradig. Dat neemt niet weg dat er stukje bij beetje een schitterend portret ontstaat van een mooie, naar liefde hunkerende, getraumatiseerde, extraverte en briljante jongen, die zijn leven aan de literatuur wilde wijden en meende dat echte schrijvers aan de rand van de afgrond moesten leven.
Maar David, zo moet Ken aan het einde van zijn verhaal toegeven, kende wel de twijfels van de kunstenaar, maar had niet genoeg talent. Dat besef doet niets af aan de liefde die hij voor zijn broer voelt. Het helpt hem wel zich niet langer schuldig te voelen omdat hij leeft, getrouwd is (met een vriendin van David) en een zoon heeft.
Als hij zijn boek eindelijk afrondt, beseft hij dat hij in december 1988 niet alleen zijn verdriet opschortte, maar ook zijn eigen leven. Pas dan kan hij uit een brief citeren, die twee weken na Davids dood in Philidelphia aankwam. In die brief vertelt David hoe hij op 12 december 1988 een natuurreservaat in Israël bezocht, dat in een folder als ’De Hof van Eden’ wordt omschreven. Zittend onder een boom schreef hij aan zijn familie: „Lieve familie, Ik ben door de poorten van de hemel gewandeld en ben het paradijs binnengegaan*” Dat ene zinnetje aan het eind van een getroebleerd verslag van een getroebleerd leven is zo bizar en zo aangrijpend dat je Ken zijn langdradigheid vergeeft en bereid bent alle 382 bladzijden opnieuw te lezen, als je daarmee deze ene, nodeloze, plotselinge dood ongedaan zou kunnen maken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.