Het kan toch geen gelukkig nieuw jaar worden als je niet slaapt. Daar heb ik nooit een probleem mee gehad maar de laatste tijd wel. Dat gaat zo: ik poets mijn tanden, trek mijn pyjama aan, kruip in bed, geef mijn lief een aai en blijf wakker.
Gedachten malen in mijn hoofd; buiten tikken de hakken van de buurvrouw haar van haar late dienst naar huis; om kwart over zes laat de krant de brievenbus klepperen; vanaf zeven uur schommelen vrachtwagens als prehistorische dieren voorbij om grommend de supermarkten te bevoorraden; en iets over half negen schuimen klassen schoolkinderen langs mijn raam, op weg naar het gymnastieklokaal.
Een buurt die bruist van leven, uitgezonderd deze bewoner.
Niets liever wil ik dan slapen. Toch waak ik. Beter gezegd: iets waakt in mij. Iets dwingt mij om wakker te blijven. Tegen mijn wil.
Slapeloosheid schendt mijn mensenrechten waarin ik niet gedwongen mag worden en het recht heb om als individu te worden gerespecteerd.
Slapeloosheid is een ontmenselijkende ervaring, vindt ook de filosoof Levinas.
Ik word tot een object gemaakt. Want ik heb de slapeloosheid niet; de slapeloosheid heeft mij.
Levinas zet slapeloosheid op één rij met oorlog die de mens reduceert tot een anoniem radertje in de machinerie. Ook moderne kunst kan een gevoel van vervreemding bewerken, omdat die vaak betekenisloos is. Kubussen en driehoeken op het doek zijn in hun plompe en stomme aanwezigheid ’ettergezwellen van het zijn’. Precies zo lig ik als een kloppende puist lange nachten bovenop mijn matras.
Levinas zegt dat slapeloosheid de situatie is van vóór de schepping, waarin de aarde ’woest en ledig’ is. Ze is het ’anonieme zijn zonder gezicht’. Dat is de voorwereldlijke chaos van losgewoelde dekbedden en ingedeukte kussens, die mijn individuele vrijheid en wil opslorpt. Tegen mijn zin word ik wakker gehouden en glijd miljoenen jaren terug naar het begin van de schepping, waar God in de grote ketel oersoep roert. „Ben je daar alweer?”, vraagt hij. Hij gooit mij in de ketel, zodat het individu Suurmond weer tevoorschijn komt. Een soort extreme make-over.
Slapeloosheid bewijst hoe weinig vanzelfsprekend het is om een individu te zijn. Vóór we het weten raken we onze dierbare vrijheid en wil kwijt. Is het niet aan gedwongen wakker liggen, dan wel aan een of andere charismatische politicus of popidool of ideologie of de markt of aan wat-de-ander-wel-niet-van-mij-zou-denken. We laten ons o zo gemakkelijk manipuleren en gebruiken. We zijn een groupie in het
diepst van onze gedachten.
U ziet dat ik heel wat opsteek van mijn slapeloosheid. Ach, tegenwoordig heb ik tijd om na te denken. In mijn psychotherapeutische praktijk kan ik best omgaan met mensen die aan slapeloosheid lijden. Ze zitten vaak in een vicieuze cirkel. Als zij naar bed gaan, houdt de angst dat zij niet zullen slapen hen wakker, wat de angst bevestigt zodat de volgende nacht weer hetzelfde gebeurt.
Wat ze ook doen: ontspanningsoefeningen, mediteren, een bad nemen, ze komen niet in slaap. Hoe meer ze hun best doen om te slapen, hoe slechter dat lukt. Soms geef ik hun dan een paradoxale opdracht mee: ze mogen de komende week beslist niet in slaap vallen. Dat neemt de angst om wakker te blijven weg. Vaak moeten ze bekennen dat ze hun huiswerk niet goed hebben gedaan omdat ze in slaap zijn gesukkeld...
Geneesheer, genees uzelf! Maar bij mij werkt het niet. Ik kan mijn eigen therapeut niet zijn. Ik kan niet eens de therapeut van mijn vrouw zijn, hoewel ik dat toch geduldig en zonder een tarief in rekening te brengen, geprobeerd heb. Op de een of andere manier eindigde dat steeds in boze uitroepen en slaande deuren. Ook niet bevorderlijk voor de nachtrust.
Maar er is hoop, zegt Levinas. Wat de ervaring van slapeloosheid uiteindelijk met mij doet, is dat ik mij ga verzetten tegen de ontmenselijking. Ik maak een burcht van mijzelf. Elke nacht komt mijn ik wat dikker, wat meer samengeklonterd uit de scheppingspap tevoorschijn. Nederland moet veel slapelozen tellen. Ja, zó groot en massief kan mijn ik worden dat ik me in mijzelf gevangen ga voelen en snak om daaruit weg te trekken, om van mijn ik bevrijd te worden.
Zo groei ik naar het punt toe waar de ander mij echt kan ontmoeten en mij uit mijzelf haalt. In die ander verschijnt de Oneindige. Niet de God van het begin die in de oersoep roert en mij tot een ikkig individu schept, maar de God van de voltooiing die mij tot een persoon vormt die open en betrokken is op de ander. Op deze wijze creëert hij ’die sluimert noch slaapt’ onophoudelijk de mensheid, met zijn luisterrijke linker- en rechterhand.
Die slapeloosheid gaat mij toch nog een nieuw jaar bezorgen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.