Over het aangekondigde vertrek van staatssecretaris Van der Knaap naar de burgemeesterspost Ede is in de Tweede Kamer nog geen spoeddebat aangevraagd. Kennelijk vindt het parlement het normaal dat een bewindsman krap negen maanden na zijn benoeming alweer zijn biezen pakt. In een soortgelijk geval oordeelde de Kamer honderdvijftig jaar terug op voorspraak van de het protestantse lid Keuchenius dat hier sprake was ’een lokaas voor politieke immoraliteit’.
Dat gebeurde na een heftig debat van enkele dagen waarbij liefst vier ministers tekst en uitleg gaven. Een tegenstander van Keuchenius, de conservatief Wttewaall van Stoetwegen, wond zich zo op over wat hij zag als ’een aanranding van het prerogatief van de Kroon’ dat hij op het Binnenhof een fatale hartaanval kreeg. Na aanvaarding van de motie-Keuchenius ontbond de regering de Kamer en schreef zij nieuwe verkiezingen uit.
Er waren wel enige verschillen. Het ging destijds om de benoeming van minister van koloniën Mijer tot gouverneur-generaal van Indië. Mijer was niet zomaar een minister, maar de formateur van het kabinet, dat drie maanden eerder was aangetreden, en bovendien tijdelijk voorzitter van de ministerraad – die functie werd toen nog bij toerbeurt vervuld. Wat de zaak tot een casus belli maakte, was dat Mijer zijn benoeming zelf had geregeld tijdens de formatie.
Zo bar liggen de kaarten niet in het geval van Cees van der Knaap, maar er zijn genoeg redenen voor de Kamer om de premier aan zijn jas te trekken als de voordracht een feit is. Het parlement is dat alleen al aan zichzelf verplicht.
Toen het kabinet-Kok zeven jaar terug staatssecretaris van vreemdelingenbeleid Cohen voordroeg voor het burgemeesterschap van Amsterdam, zat de Kamer er bovenop om over de mores op dit punt te oordelen.
De benoeming van een burgemeester is nog altijd een zaak van de Kroon, maar sinds de motie-Keuchenius kunnen ministers zich niet meer achter de troon verschuilen. Dat deed Kok ook niet. Hij bevestigde de regel dat een politieke ambtsdrager voor de volle termijn wordt benoemd. Daarvan kan slechts ’in uitzonderlijke gevallen’ worden afgeweken. Daartoe rekende hij hoge internationale posten, maar ook bepaalde functies in eigen land, zoals het burgemeesterschap van een grote stad.
Valt Ede daar ook onder? De plaats is naar oppervlakte gemeten de grootste gemeente van het land en in culturele zin, met de Christelijke Hogeschool en de schrijver Jan Siebelink binnen haar grenzen, misschien wel het Vaticaan van het protestantisme. Maar genoeg om na minder dan een jaar een functie op te geven waarvoor Van der Knaap zelf graag weer de aanspreektitel ’Excellentie’ wilde invoeren, lijkt het niet.
Kok stelde zich al wat rekkelijker op dan Joop den Uyl, die meende dat alleen hoge posten over de grens een voortijdig vertrek rechtvaardigen. Zijn argument was dat alleen dan de band met de nationale politiek vrijwel wordt doorgesneden. Als dat niet het geval is, deugt een benoeming niet, zei hij in 1980 in het Kamerdebat over de benoeming van minister van defensie Willem Scholten tot vicepresident van de Raad van State.
Den Uyl is zelf één keer in de verleiding gebracht voortijdig uit de nationale politiek te vertrekken om lid van de Europese Commissie te worden. Dat gebeurde in de formatie van 1973, toen de demissionaire premier Biesheuvel hem opbelde met de mededeling: ’Joop, we hebben zojuist in de ministerraad de opvolging van Sicco Mansholt besproken en we zijn het er allemaal over eens, dat jij die opvolger moet worden’.
Biesheuvel voegde er meteen aan toe dat zou Den Uyl het niet doen, het kabinet KVP-minister Lardinois zou kandideren. Den Uyl doorzag ’de streek van Barend’ meteen en heeft er een dag over lopen grommen. Zijn wraak volgde vijf maanden later toen hij als de nieuwe premier aantrad en Biesheuvel in het politieke herfstbos verdween.
Een reden om bij het bewaken van de goede zeden op dit vlak streng te zijn is dat een tussentijds vertrek van politieke en bestuurlijke ambtsdragers het beeld versterkt van een Haagse klasse die voor zichzelf mooie banen ’regelt’. Het aanstaande vertrek van Van der Knaap staat niet op zichzelf. Onlangs leverden ook respectievelijk de PvdA-Kamerleden Wolfsen en Crone hun verse kiezersmandaat in om burgemeester van Utrecht en Leeuwarden te worden. Deze praktijk doet afbreuk aan de notie dat ministers dienaren van de Kroon en Kamerleden dienaren van het volk zijn.
In de tijd van Mijer stond de Kroon nog echt voor de koning en diens uitvoerende macht en poogde Keuchenius macht voor de Kamer te veroveren. Nu staat de Kroon voor het door de koningin verbeelde geheel, wat voor ministers ruimte en afstand van hun partij schept om beslissingen te nemen. In ons coalitieland is die ruimte noodzakelijk, wil een kabinet een ploeg worden en slagvaardig opereren. Daarin schuilt het belang van een dualistische verhouding tussen kabinet en Kamer. Naarmate ministers zich meer als partijman of -vrouw gaan gedragen, wordt het moeilijker besluiten te nemen en conflicten te beslechten.
In die context was het bedenkelijk dat premier Balkenende vorige week op het CDA-congres het conflict over het ontslagrecht in de partijpolitieke sfeer trok met zijn uitroep ’Donner is CDA. CDA is Donner. Punt uit’.
Daarmee demonstreerde hij andermaal ’partijleider’ te zijn, maar verkleinde hij als premier de ruimte om uit het conflict te komen. Want zo minister Donner nu iets is, is hij net als Van der Knaap dienaar van de Kroon.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.