*

 

In memoriam Schelto Patijn (1936-2007) / Aimabele Hagenaar werd Mokumer

Van onze verslaggeefster − 16/07/07, 00:00

Hij was oud-Kamerlid, oud-commissaris van de koningin, maar bovenal oud-burgemeester van Amsterdam. Schelto Patijn is gisteren in de hoofdstad overleden.

Hij kende Amsterdam niet en de Amsterdammers evenmin toen hij in 1994 Ed van Thijn opvolgde als eerste burger van de hoofdstad. Maar, zo constateerde Schelto Patijn in een interview kort voor zijn vertrek in 2000 in Trouw tevreden: „Het is prettig dat ik niet met pek en veren word weggejaagd maar hartelijk word uitgelaten.”

Er was destijds de nodige twijfel of het wel zou passen: het anarchistische Amsterdam en de ’bekakte’ Haagse Patijn, in 1936 geboren in een regentengeslacht dat het besturen in de genen zat. Zijn ene opa was (onder meer) burgemeester van Amsterdam, zijn andere grootvader thesaurier-generaal van financiën, een oom minister van buitenlandse zaken en zijn vader Tweede Kamerlid. Zelf werkte hij onder meer bij het ministerie van buitenlandse zaken, voordat hij in 1973 parlementariër werd, een functie die hij een tijd combineerde met een lidmaatschap van het Europees Parlement. In 1984 werd hij commissaris van de koningin in Zuid-Holland.

Toen hij in tien jaar later naar Amsterdam kwam stond hij weliswaar bekend als een bestuurlijk zwaargewicht, maar ook als een ’fatsoenrakker’, een ’zedenmeester’, wat in die tijd helemaal geen aanbeveling was. Toch oordeelde Trouw bij zijn vertrek dat hij Amsterdam verliet als de „minst omstreden burgemeester ooit”. Met zijn vriendelijke, diplomatieke, maar ook zakelijke opstelling had hij de hoofdstad, die hij veelvuldig met de fiets verkende, voor zich weten te winnen.

Al waren het bepaald geen rustige jaren. Drugsoverlast, zinloos geweld (Joes Kloppenburg), rellen met Marokkaanse jongeren, Patijn maakte het allemaal mee. Veel kritiek kreeg hij toen hij in 1997, aan de vooravond van de Europese top in zijn stad, demonstranten preventief liet oppakken met een wetsartikel dat hen bestempelde als leden van een criminele organisatie. De gemeenteraad liet hem uiteindelijk de zaak zonder veel kleerscheuren overleven.

Net zoals die hem ook liet begaan bij de aanpak van andere ’vormen’ van normloosheid, lang voor ’normen en waarden’ links en rechts steeds vaker opdoken in het politieke taalgebruik. Zo bond hij de strijd aan met wildplassers, maakte een eind aan de wildgroei van coffeeshops en stelde hij een tippelzone in aan de rand van de stad om de prostitutie van de openbare weg te krijgen.

Anderzijds was het hem zwaar te moede toen Den Haag zich in 1998 keihard opstelde in de zaak van de kleermakersfamilie Gümüs, die – hoewel al jaren in Nederland en geheel ingeburgerd het land moest verlaten. Die zaak, zei hij in het eerder genoemde interview in Trouw, „blijft knagen”. In de Volkskrant zei hij zelfs dat hij graag de geschiedenis was ingegaan als de man die Gümüs terughaalde naar Amsterdam.

Vijf jaar na zijn aantreden moest hij enkele maanden met ziekteverlof. Hij herstelde en hervatte zijn werkzaamheden, maar kondigde een klein jaar later toch aan dat hij wegens zijn gezondheid vervroegd weg zou gaan. Job Cohen werd zijn opvolger. Zelf was hij nog even in de race om vicevoorzitter van de PvdA te worden, maar ook dat liet hij aan zich voorbijgaan wegens zijn gezondheid. De ’regent moderne stijl’, zoals hij de op website www.parlement.com wordt genoemd, bleef zich wel met de partij bemoeien en zat onder meer een werkgroep voor die met voorstellen kwam voor het integratiebeleid.

In reacties op zijn overlijden komen het woord ’aimabel’ en variaties daarop veelvuldig voor. De Amsterdamse PvdA-fractie noemt hem „een beminnelijke man met hart voor de stad”. Volgens de VVD is „een Amsterdammer doodgegaan”.

mailIcon print |