Na de ontruiming van de Rode Moskee zoeken veel Pakistanen nog steeds naar hun verwanten.
De 40-jarige elektricien Mohammad Anjub kijkt gespannen op de dodenlijst aan het groene prikbord voor de ingang van het Jinnah Stadion, annex opvang- en informatiecentrum van de overheid. In tien minuten keek hij al vijf keer, maar de lijst is onveranderd. Er staan 23 namen op. Zijn 38-jarige broer Mohammad Inam Ullah, die in de Rode Moskee was toen vorige week het Pakistaanse leger de aanval opende, is er niet bij.
Voor het opvangcentrum hebben zich tientallen mensen verzameld die zoeken naar vermiste familieleden uit de Rode Moskee. Het leger ontruimde woensdag met geweld de moskee, die bezet was door radicale moslims. De vuurgevechten tussen leger en militanten duurden een week.
Het ministerie van binnenlandse zaken stelde vast dat 92 burgers, 10 militairen en 1 paramilitair om zijn gekomen. 204 burgers, 41 militairen en 3 paramilitairen zouden gewond zijn. Omdat journalisten en buurtbewoners op afstand worden gehouden, is dit moeilijk te verifiëren.
„Als het meest voorzichtige aantal (460) van mensen in de moskee klopt, dan zijn er nog veel vermist”, zegt Talat Hussain, hoofd nieuws van de onafhankelijke televisiezender Aaj. Het gaat volgens hem niet zozeer om de aantallen, maar of er vrouwen en kinderen zijn omgekomen. „Dan wordt het een humanitaire zaak.” De uitspraken van de overheid hierover scheppen verwarring. In eerste instantie zouden er geen vrouwen en kinderen omgekomen zijn, later meldt een overheidsfunctionaris dat er zo’n vijftien tot twintig van hen zijn gedood.
Anjub, met witte shalwar kameez en paars gebedspetje, is een neef van moskeeleider Abdul Rashid Ghazi. Beide komen uit Rojhan, een boerendorp in de noordwestelijke grensprovincie. Zijn verdwenen broer was gebedsvoorganger in de nabij gelegen Nimrah Moskee. Een dag nadat de gevechten uitbraken ging hij de Rode Moskee in om zijn 18-jarige neef Noor Mohammad op te halen. „Daarna durfde hij niet meer naar buiten uit angst dat het leger op hem zou schieten.”
Noor ligt nu in het ziekenhuis. Anjub mocht hem maar één keer zien, een week geleden. Een poging van de verslaggeefster om Noor te bezoeken mislukt. „Media zijn niet toegestaan”, zegt de politieman voor de ingang, terwijl hij verontschuldigend zijn schouders ophaalt. Journalisten verstoren het werk van de artsen, zei de onderminister voor informatie.
„Je neef leeft tenminste nog”, zegt boer Shah Mohammad (32), die erbij is komen staan. Hij veegt zijn tranen weg met een blauwe zakdoek. Zijn jongste broer Ata Mohammad, 22, was administratief medewerker in de moskee. Nu is hij vermist. In een laatste sms, op de dag voor de bestorming, schreef Ata: „Vriend, dit is de tijd voor strijd. Er is geen water, eten en elektriciteit, maar de hulp van Allah is met ons. Het paradijs wacht op ons. Daardoor raakt onze moed de hemel. Ata Mazari”.
Rana Akbar Hayat, hoofd van het opvangcentrum, verklaart dat 58 doden onherkenbaar zijn verminkt. Hun identiteit zou achterhaald kunnen worden met een DNA-test. Anjub en Shah wachten met spanning af. Als Anjub eindelijk aan de beurt is voor de bloedtest holt hij naar het meldbureau. „Ik moet gaan, ik moet gaan”, roept hij.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.