Indien je, zoals in mijn geval, als adolescent de Duitse bezetting meemaakt om een half jaar na de bevrijding in mei 1945, te worden opgeroepen voor militaire dienst, die drieënhalf jaar duurt, de langste tijd in Nederlands-Indië doorgebracht – als je dit alles zonder kleerscheuren doorstaat en enigszins geïntrigeerd meemaakt, ligt de keuze van een sociologisch proefschriftonderwerp nogal voor de hand: de krijgsmacht als organisatie en als geweldsapparaat. Als would-be historicus volgde ik ook het spoor terug naar de tijd van Prins Maurits, toen het huidige militaire instituut voor het eerst vorm begon te krijgen.
Uit internationale contacten bleek mij dat het anderen net zo was vergaan. In Chicago ontdekte ik Morris Janowitz die in 1944-1945 de oorlog in Europa had leren kennen en een zeer actieve groep sociologen om zich heen had verzameld, met een eigen tijdschrift, ’Armed Forces and Society’ en Samuel Huntington, later bekend geworden als de auteur van ’The clash of civilizations’.
Veel losser was mijn contact met enkele Britten, zoals de historicus Michael Howard, die op zijn manier het nieuwe thema ’War and history’ uit de sfeer van de traditionele krijgsgeschiedenis wist te bevrijden.
Dit alles ligt zo'n veertig jaar achter me. Toch kon ik het niet nalaten kennis te nemen van de onlangs verschenen memoires van Howard, ’Captain Professor’, met welke twee woorden zijn levensloop is gekarakteriseerd: eerst als officier deelnemend aan de geallieerde veldtocht in 1944 in Italië, nadien zeer succesvol als hoogleraar militaire studies en ongetwijfeld een van de belangrijkste historici op dit terrein. Anders dan Janowitz, die strikt afstand hield tot het politieke establishment in de Verenigde Staten, liet Howard zich met genoegen in de besognes van de Britse defensie betrekken, al tastte het zijn onafhankelijk oordeel op geen enkele manier aan. Dat Margaret Thatcher hem de Regius leerstoel voor Moderne Geschiedenis aanbood, de meest prestigieuze post in het Britse historisch bestel, belette hem niet haar in zijn memoires op dodelijke manier uit te tekenen.
Zoals in al zijn publicaties toont Howard zich in dit boek een groot stillist, zij het niet vrij van een zekere behaagzucht, steevast gedemonstreerd als hij weer eens voor een leerstoel wordt voorgedragen en zijn directe concurrent als veel briljanter uittekent – om niettemin zelf te worden uitverkoren.
Geplaagd als hij werd door een buitengewoon hardnekkige malaria die hem vele maanden aan bed kluisterde, heeft hij de strijd in Italië weinig intensief meegemaakt, maar zijn waarnemingen, deels berustend op zijn uitvoerige brieven uit die tijd, zijn vooral daarom bijzonder boeiend omdat ze zeer kleinschalige gevechtservaringen beschrijven. Als hij vier dagen na de landing van zijn eenheid in Italië een eerste bescheiden verkenningspatrouille krijgt te commanderen, constateert hij dat de manschappen doodmoe en uiterst gespannen zijn, niet door het dreigend gevaar maar als gevolg van het dagenlang durende artillerie- en mitrailleurvuur dat hen heeft belet enige redelijke bedrust te genieten. Oorlog, zo wordt duidelijk, is ook in het klein een beproeving die primair voortvloeit uit regen en nachtelijke kou, slaapgebrek en de onmogelijkheid zich te wassen en te scheren. Elders beschrijft hij een verkenning van de Duitse linies die hem door de mist in een verkeerde richting leidt en hem in een mijnenveld doet belanden die enkele van zijn mensen een voet kost en waarbij hij – hij schrijft het met schaamte – zijn directe metgezel schreeuwend van pijn en angst achterlaat. De vraag wat hij anders had moeten doen, zou hem lang blijven achtervolgen.
Zijn observaties strekken zich ook uit tot de Italiaanse veldtocht als geheel, een uiterst traag en moeizaam uitgevoerde operatie onder leiding van nogal wat onervaren en soms bijzonder middelmatige commandanten die voor de Duitse tegenstander geen partij zijn. In een van zijn tijdelijke functies maakt Howard een studie van de organisatie, bewapening en tactiek van het Duitse leger, met een conclusie die hij, zeer bij uitzondering in zijn boek, cursief laat afdrukken: ’why was it so bloody good’, ook een halve eeuw nadien voor hem nog steeds een mysterie.
Howard, een groot bewonderaar van Amerika en een graag geziene gast in kringen van Amerikaanse militaire experts, eindigt zijn boek met het uitspreken van zijn verbijstering over het Irakese avontuur, ingegeven door de ’adembenemend naïeve veronderstelling’ dat Saddams regime zonder veel moeite tot een vredelievende democratie viel om te bouwen. In de maanden voor de aanval op Irak, werkte hij bij een Amerikaans onderzoekscentrum om te ontdekken dat een debat over de dreigende oorlog nauwelijks plaatsvond dan wel als ’onpatriottisch’ in de ban werd gedaan.
In die tijd had Howard een gesprek met Condi Rice, de voornaamste adviseur van president Bush, die ook na zijn kritiek eenvoudig volhield dat Irak de echte wereldbedreigende infectiehaard vormde. Zijn repliek dat die haard eerder in Palestina moest worden gezocht en dat zelfs een spectaculaire overwinning op Irak de ’War against Terror’ alleen maar moeilijker zou maken, vond geen gehoor.
Een maand later begon de oorlog, met de door Howard voorspelde uitkomst. Het werd weer eens bewezen: vooral in zaken van oorlog en vrede zijn wetenschappelijke inzichten zelden tegen politieke vooroordelen opgewassen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.