*

 

goslinga / Canards erkennen: een goeie waakhond vlooit zichzelf

Hans Goslinga − 23/06/07, 00:00

’Als ik moest kiezen tussen een regering zonder kranten en kranten zonder regering, dan zou ik zonder een moment van aarzeling aan het laatste de voorkeur geven.’

Thomas Jefferson, een van de grondleggers van de Verenigde Staten en de derde president van de jonge staat, sprak deze woorden iets meer dan twee eeuwen geleden. Waarschijnlijk zou hij dat nog steeds vinden, omdat de opvatting getuigt van een diep inzicht in de fnuikende werking van macht die niet wordt gecontroleerd door een tegenmacht. Maar het is de vraag of Jefferson zijn visie nu opnieuw zonder een moment van aarzelen zou hebben geuit.

’Een grauwe dag voor de journalistiek’, noemde deze krant de uitkomst van het onderzoek van de commissie-Van den Berg naar de onthulling van de Volkskrant dat Nederlandse militairen in 2003 tientallen Irakese gevangenen hadden gemarteld. Van het verhaal, vooral van de alarmistische beschuldiging, bleef vrijwel niets over. De reputatie van de Volkskrant liep daarmee een knauw op die een weerslag heeft op de hele journalistiek, omdat het van oorsprong katholieke dagblad tot de kwaliteitskranten behoort. Dat brengt extra eisen van zorgvuldigheid mee.

Hoe schadelijk de canard is, bleek uit een ingezonden brief van de liberale oud-minister Hoogervorst, die eindigde met de conclusie dat ’deze Volkskrant het recht heeft verspeeld om welk kabinet dan ook te bekritiseren’. Hoogervorst was niet alleen gevallen over de ’buitensporig onzorgvuldige’ journalistiek, maar ook en nog meer zelfs over de reactie van hoofdredacteur Broertjes. Hij vond diens excuses veel te dun en meende dat de hoofdredacteur en de betrokken verslaggever, Jan Hoedeman, hadden moeten opstappen.

In het licht van de brisante lading van de onthulling en het tijdstip, betrekkelijk kort na het Aboe Ghraib-schandaal en vijf dagen voor de Kamerverkiezingen, had de krant duidelijker moeten erkennen dat de keizer geen kleren aan had. Dat zou in lijn hebben gelegen met de code van Bordeaux, de internationale gedragscode voor journalisten uit 1954, die verlangt ’elke verstrekte informatie die schadelijk onnauwkeurig blijkt, op royale wijze recht te zetten’. Het ’klein vuil’ dat in het onderzoek naar boven was gekomen, bood geen rechtvaardiging voor de ’maren’ waarop de krant meende nog iets van een positie over te houden.

Een stevige, zelfbewuste positie van de journalistiek is van betekenis, wil zij in de woorden van Henry Faas, gevreesd en gezaghebbend politiek redacteur van de Volkskrant in de jaren vijftig en zestig, de rol blijven spelen van ’bende van georganiseerd wantrouwen’. Net als Jefferson was Faas er diep van doordrongen dat de macht van een regering om tegenmacht vraagt van onafhankelijke en kritische media. Dat houdt in dat journalisten, zoals de voormalige PvdA-senator De Rijk eind jaren tachtig schreef, ook wantrouwig moeten reflecteren op hun eigen werk.

De Rijk, een wijsgerig classicus, stoorde zich aan de misplaatste saamhorigheid van persmensen, die in zijn ogen leidde tot handjeklap en gebrek aan zelfkritiek. ’Waar zijn de polemieken tussen journalisten gebleven? Nergens!’ In plaats daarvan nam hij, vooral op de televisie, veel onderlinge slijmerij waar. De Rijk vond dat fundamenteel fout. Op de klassieke vraag van Juvenalis ’wie moet de bewakers bewaken?’, is volgens hem in een democratie maar één antwoord mogelijk: zijzelf. Niet met censuur of tuchtrechtspraak, maar door kwaliteitsbewaking. Onderlinge kritiek, sinds de jaren zestig volgens een ongeschreven regel not done, is daarbij van grote betekenis.

Deze notie is van des te meer belang nu het kabinet-Balkenende IV het voornemen koestert in overleg met de media een code op te stellen die de grenzen aangeeft van wat ’maatschappelijk acceptabel’ is. D66-fractievoorzitter Pechtold keerde zich daar als enige in de Kamer principieel tegen. De regering behoort zich volgens hem verre van te houden van inhoudelijke bemoeienis met de media. Maar premier Balkenende was dat niet met hem eens. Hij wil dat er zo’n mediacode komt om ’geweld en seks op tv’ en ’dingen die gewoon te ver gaan’ te weren en daarmee de ’respectvolle omgang tussen burgers te bevorderen’.

Het doet denken aan de tendens in de politiek tijdens de eerste naoorlogse jaren om, in het verlengde van de perszuivering, de ’journalistieke verantwoordelijkheid’ wettelijk vast te leggen. Een commissie onder leiding van de strafrechtgeleerde Pompe kwam in 1949 met het voorstel tot een publiekrechtelijke tuchtregeling voor journalisten. Dat liep stuk op verzet van de pers en op strijdigheid met de vrijheid van meningsuiting. Uit Balkenende’s woorden viel op te maken dat de spanning met dit grondrecht het kabinet over mediacode vooralsnog verdeeld houdt.

Pechtold was de enige die op voorhand principiële bezwaren uitte, maar ironisch genoeg stelde zijn fractiegenoot Van der Ham op dezelfde dag vragen aan minister Plasterk (media) over diens visie op het ontslag van de columnist Livestro bij het tv-programma Buitenhof. Dat was misschien half als grap bedoeld, omdat Livestro de directe opvolger is van Plasterk, maar consistent was het niet. De regering gaat daar gewoon niet over. In een democratie horen de machten gescheiden te zijn en past op het vlak van de journalistieke ethiek geen gepolder. Maar dat betekent wel dat de media zichzelf en elkaar de maat moeten nemen. Met Bertus de Rijk sprekend: een goeie waakhond vlooit zichzelf.

mailIcon print |