De drie opera’s van Monteverdi die Pierre Audi in de jaren negentig regisseerde, maken nu als driedaagse cyclus een grote indruk.
Pierre Audi, sinds 1988 artistiek directeur van De Nederlandse Opera (DNO), maakte in 1990 zijn eerste enscenering in het Muziektheater. Het ogenblikkelijke succes dat Audi had met deze ’Il ritorno d’Ulisse in patria’ van Claudio Monteverdi, was groots en profetisch. Het feit dat hij koos voor een opera die nog nooit in Nederland te zien was – afgezien van de ’Ulisse’-bewerking die Luigi Dallapiccola maakte – was meer toeval dan opzet. Zoals het ook toeval was dat er vanuit die eerste enscenering een complete Monteverdi-cyclus opbloeide. In de jaren negentig volgden ’Il combattimento di Tancredi e Clorinda’, ’L’Incoronazione di Poppea’ en ’L’Orfeo’. Allemaal waren ze een groot succes.
Nu, zo’n anderhalf decennium later, presenteert De Nederlandse Opera de drie grote opera’s van Monteverdi als een heuse driedaagse cyclus; de cyclus wordt later deze maand gevolgd door ’Il combattimento’ aangevuld met nieuwe Audi-ensceneringen van enkele Monteverdi-madrigalen. Dat het precies vierhonderd jaar geleden is dat Monteverdi met ’L’Orfeo’ het nieuwe operagenre een duidelijk gezicht gaf, zal in Amsterdam dus niet onopgemerkt blijven.
Voor het derde achtereenvolgende seizoen opent DNO zodoende met een megaproject: in 2005 was dat Wagners ’Der Ring des Nibelungen’ en vorig jaar de Mozart-Da Ponte-Trilogie. Het behoeft geen uitleg dat DNO met dergelijke grootschalige en ingewikkelde evenementen risico neemt en zijn nek uitsteekt. Wagner en Mozart zorgden voor stormlopen op de kassa, Monteverdi heeft het wat dat betreft lastiger. ’Poppea’ kon zaterdag rekenen op behoorlijke belangstelling, maar ’Orfeo’ op vrijdag, en vooral ’Ulisse’ op zondag kregen de zaal lang niet vol. Dat is bijzonder jammer, want deze Monteverdi’s behoren tot de mooiste voorstellingen in het nog immer voortdurende Audi-tijdperk bij DNO.
Grote vragen waren of de producties de tand des tijds hadden doorstaan én of de presentatie ervan pal achter elkaar iets extra’s zou opleveren. In beide gevallen moet het antwoord ’ja’ luiden. Enige reserves bij ’L’Orfeo’ daargelaten, bleef het mythisch tijdloze van deze producties krachtig overeind en de doorzettende liefhebber kwam ontegenzeglijk in een verslavende Monteverdi-roes terecht. Meest opvallend echter was hóe volledig Audi in die eerste ’Ulisse’ al zijn eigen taal vond. Brekende panelen op dramatische hoogtepunten, een uit de nok kletterende zware ketting, een pilaar die plots uit het lood staat, diagonale loopbruggen, halfronde wanden van hout en metaal – al die elementen zitten ook in overvloed in Audi’s verbeelding van ’Der Ring des Nibelungen’. Die ’Ring’ had een andere decorontwerper dan Michael Simon die de schitterende speelruimtes voor deze Monteverdi’s ontwierp. Het zegt wat over Audi’s verbeeldings- en overredingskracht dat twee zulke verschillende ontwerpers met zulke vergelijkbare decors aan komen zetten.
Muzikaal kwam ’L’Orfeo’ in de nieuwe bezetting niet geheel overeen met de mooie herinnering in het geheugen. De spannende, stille soberte die Audi’s Monteverdi-ensceneringen kenmerkt, veranderde in ’Orfeo’ deze keer in traagheid en stilstand. Te vaak stokte de voorstelling vrijdagavond. Het begon al omineus in de proloog met een pijnlijk slecht gezongen La Musica van countertenor David Cordier, die kennelijk stemproblemen heeft want ook de proloog van ’Ulisse’ ging door zijn toedoen redelijk de mist in. Tenor Jeremy Ovenden zong veel beter, maar maakte als Orfeo toch weinig indruk. Vooral in ’Possente spirto’, de allereerste echte aria in de allereerste echte opera, bleef Ovenden onder de maat en miste hij in de zachte passages te veel kern in zijn toon om pregnant hoorbaar te blijven. Ook zijn vader Apollo maakte in de interpretatie van Paul Agnew weinig indruk en dus waren het de vrouwen die hier de kar moesten trekken. Tania Kross (La Messagiera) en Judith van Wanroij (Euridice) voldeden prachtig, maar het was een superieure Wilke te Brummelstroete die als Proserpina met de eer ging strijken. Het koor zong hier niet al te stijlvol en de bewegingspatronen hadden een hoge graad van hupserigheid. Het zogenaamd ’keuvelen’ op het toneel was ook al zo vreemd ouderwets, maar massa’s regisseren was nooit Audi’s sterke punt.
Muzikaal leider Stephen Stubbs was nogal navelstaarderig bezig, maar liet zich als luitist een avond later in ’Poppea’ mooi op sleeptouw nemen door de bevlogen dirigent Christophe Rousset. Hier een begeleiding van grote klasse en de zangers kwamen hier stuk voor stuk uit de buitencategorie. Van alle drie is ’Poppea’ de best geslaagde enscenering, vooral ook door de oogstrelende kostuums van de Japanse Emi Wada. Christianne Stotijn maakte een opvallend en zeer geslaagd debuut bij DNO als de gekrenkte Ottavia; het venijn spatte eraf, maar ook in haar berusting, als de keizerin uit Rome verbannen wordt, was Stotijn duidelijk in haar element. Malena Ernman als ongenaakbare Nerone liet geen wens onvervuld, maar bovenal was het de avond van Danielle de Niese. Zelden zo’n verleidelijke Poppea – in stem én figuur – meegemaakt als deze geweldige sopraan. De manier waarop zij de zaal in keek toen ze zich bewust werd van haar (erotische) macht over Nero zal me nog lang heugen.
In ’Ulisse’, een voorstelling die de beide andere in stilte overtreft, viel de stuwende leiding van Glen Wilson op. Paul Nilon (Ulisse) en Patricia Bardon (Penelope) deden hun illustere voorgangers in deze rollen glorieus eer aan. Nilon zette een onstuimige Odysseus neer, die in zijn moment van triomf over de vrijers van Penelope bijna hysterisch euforisch klonk. Bardon kloeg majestueus in haar rol van onbestorven weduwe. Ook deze avond een prachtige Te Brummelstroete (Minerva) en een ontwapenende Kross in de meer omvangrijke rol van Melanto. De echte ster van deze avonden was Audi zelf: hij schiep tijdloze schoonheid met eeuwigheidswaarde.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.