Klassiek
Concerto Köln, Groot Omroepkoor, solisten olv Emmanuelle Haïm met ’Israel in Egypt’ van Hündel op 22/9 in de ZaterdagMatinee in Concertgebouw, Amsterdam. Uitzending via Radio 4 op 25/9 vanaf 20.00 uur.
Emmanuelle Haïm zat in 1993 nog redelijk anoniem als klaveciniste in de gelederen van Les Talens Lyriques, het ensemble dat Pierre Audi’s enscenering van Monteverdi’s ’L’Incoronazione di Poppea’ begeleidde. Die prachtige ’Poppea’ wordt momenteel door De Nederlandse Opera herhaald, maar Haïm is er niet meer bij. Zij richtte tussentijds haar eigen ensemble op – Le Concert d’Astrée – en behaalt daarmee sinds enkele jaren grote successen met spectaculaire concerten en cd-opnamen. De gelauwerde Haïm was dit weekend voor het eerst te gast in de ZaterdagMatinee om Hündels oratorium ’Israel in Egypt’ te dirigeren.
Oude muziek in de Matinee. Da’s een redelijk nieuw element, waarmee de nieuwe artistiek leider Kees Vlaardingerbroek zich wil onderscheiden. Oog en oor voor trends en experimenten op dat gebied kan Vlaardingerbroek niet ontzegd worden. Niet alleen nodigde hij Haïm uit, maar hij koppelde haar aan het authentieke orkest Concerto Köln en aan het beslist ’niet-authentieke’ Groot Omroepkoor. Een experiment, maar de keuze voor dat grote koor werd ongetwijfeld mede ingegeven door het feit dat Haïm er niet voor terugschrikt om muziek van Monteverdi te bezetten met grote operastemmen. Haar opnamen van ’L¿Orfeo’ (met coloratuurdiva Nathalie Dessay) en ’Il combattimento di Tancredi e Clorinda’ (met tenor Rolando Villazón) waren wat dat betreft even verrassend als geslaagd.
Benieuwd dus hoe de koppeling Haïm-Omroepkoor zou werken. In de oorspronkelijke, lange versie van ’Israel in Egypt’ is het koor bijna constant aan het zingen; bijdragen van solisten zijn minimaal. Het Groot Omroepkoor, ingestudeerd door Gijs Leenaars, was voor deze gelegenheid teruggebracht tot circa vijftig zangers. Maar met uitdunnen alleen ben je er nog niet. Optredens van met name koren uit Hündels zelfgekozen moederland Groot-Brittannië, hebben aangetoond dat je zelfs met amper dertig zangers enorme hoeveelheden decibellen kunt produceren, ook in de door Hündel zo geliefde achtstemmige dubbelkoren. Waar het vooral om gaat is, dat een koor als het Omroepkoor, dat vooral gewend is om negentiende- en twintigste eeuwse muziek te zingen, op zoek moet naar een andere klank.
We zijn de laatste jaren op Hündel-gebied verwend met geweldige koorformaties waarin een extreem heldere, ontspannen en open klank de standaard is geworden. Vorige maand nog, in het Festival Oude Muziek, zong het kleine Cappella Amsterdam superieur in Hündels laatste oratorium ’Jephtha’. Dat niveau haalde het Groot Omroepkoor, ondanks Haïm, niet. De klank bleef nu ergens halverwege hangen tussen het wollige, warme en omfloerste geluid van een oratoriumkoor en kwieke, koele zelfverzekerdheid van een klein, aan oude muziek gewend kamerkoor. In extreem zachte passages, zoals ’Their bodies are buried’, zong het Omroepkoor mooi, geconcentreerd en puntig; maar direct daarna bij ’But their name liveth evermore’, was daar weer die dikke klank, die het ritmische en contrastrijke effect van Hündel grotendeels teniet deed. Het koor had moeite om van die ’luie’ klank los te komen. Sopranen misten de laser-precisie en – straling, begonnen muzikale zinnen niet altijd gelijk en soms met een lelijke sleep naar de noot toe. De achtstemmigheid kwam er weinig pregnant uit en klonk vaak troebel.
Naar het einde van de lange partituur kwam het ceremoniële karakter van grote triomfantelijke koren als ’The Lord shall reign’ wel prachtig bovendrijven. Dirigente Haïm ging voor het hamerende effect en het uitvergrote contrast en vond vooral in de gedeeltes waarin Hündel muzikaal tovert met de plagen die Egypte teisteren een virtuoos Concerto Köln aan haar zijde. Over ruim drie weken zingt het Omroepkoor, Hündels ’Dixit Dominus’ in Utrecht.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.