*

 

Kan een emigrant zijn moedertaal verliezen?

Sander Becker − 24/09/07, 02:26

De Nederlandse filmmaker Jan de Bont liet zich onlangs door de Nederlandse acteur Jeroen Krabbé interviewen in het Engels. De Bont prefereerde het Engels omdat hij zijn moedertaal na zijn vertrek naar Amerika, in de jaren zeventig, verleerd zou zijn.

Zijn keuze wekte ergernis bij sommige kijkers. Die beschuldigden De Bont op internet van aanstellerij. „En wat blijkt dan ook nog?”, fulmineerde een boze kijker. „Jan de Bont heeft, ondanks zijn vele jaren in Hollywood, een vreselijk Nederlands accent!”

Tja, emigranten met taalverlies hoeven in hun moederland op weinig begrip te rekenen. Ten onrechte, blijkt uit onderzoek van taalkundige Merel Keijzer, die donderdag is gepromoveerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Keijzer volgde 45 Nederlanders die al minstens twintig jaar in Canada wonen. Hun Nederlands bleek flink aangetast, maar was zeker niet verdwenen. De emigranten waren teruggezakt tot het niveau van 13- à 14-jarige Nederlanders.

„De eerste tien jaar na de verhuizing gaat het verlies het snelst”, zegt Keijzer. „De woordenschat wordt kleiner. De uitspraak gaat achteruit. Na een jaar of dertig raak je nog steeds dingen kwijt, denk ik, maar dan langzamer.”

De verarming van het vocabulaire kwam aan het licht toen de proefpersonen een stukje film van Charlie Chaplin moesten navertellen. Daarbij grepen de emigranten vaak naar de kinderlijke formulering ’en toen, en toen’, terwijl niet-geëmigreerde leeftijdgenoten een levendig relaas afstaken.

Ook grammaticaal kwam de klad erin. Vooral onregelmatige werkwoorden gingen mis. Emigranten zeiden bijvoorbeeld helpte of vaarde. Lidwoorden bleken eveneens problematisch: het plaat, de fruit. Net als verkleinwoorden, die we in het Nederlands op wel vijf manieren vormen: tafel-tje, hark-je, tor(r)-etje, konin(g)-kje, boom-pje. Emigranten gooiden deze complexiteit overboord. Ze behielden vaak alleen de uitgang -tje. Zo spraken ze over een raam-tje, net als kinderen onder de zeven, die standaard naar -tje grijpen.

Wat wel behouden bleef, was de Nederlandse woordvolgorde. Weliswaar schemerden er invloeden van het Engels in door, zoals: Hij zei dat hij had geen geld, wat een letterlijke vertaling is van He said that he had no money. Maar van een compleet infantiele zinsopbouw – mamma doen! – hielden de emigranten zich verre.

Kennelijk blijft de basis van de oude taal aardig intact bij emigranten. Het zijn vooral de complexe woordvormen die verloren gaan, ongeveer in dezelfde volgorde waarin kinderen ze aanleren. Uit de stelselmatigheid van dit proces leidt Keijzer af dat het om een werkelijk verlies gaat. Met de term ’aanstellerij’ moeten we dus oppassen.

Het taalverlies lijkt overigens omgekeerd evenredig met het opleidingsniveau, merkte Keijzer. Hoe lager de opleiding, hoe groter het verlies. De totaal ont-Nederlandste Jan de Bont moet kortom uitzonderlijk weinig onderwijs hebben gehad. Of is het toch gewoon een aansteller?

mailIcon print |