Volgens de van oorsprong Jamaicaanse filosoof Jason Hill biedt het kosmopolitisme een uitweg uit de benauwde categorieën waarmee het multiculturalisme ons heeft opgezadeld. „De mensheid liefhebben betekent dat je iemand nooit reduceert tot zijn ruwe stereotype.”
Ik heb er nooit bewust voor gekozen om kosmopoliet of wereldburger te worden of om de mensheid lief te hebben. Het gevoel kwam tot ontwikkeling terwijl ik opgroeide in Jamaica. Ik heb ook nooit bijzonder veel van Jamaica gehouden, hoewel ik er degelijk werd opgevoed en streng onderwijs heb genoten – iets waarvan ik tijdens mijn opleiding tot vakfilosoof in de Verenigde Staten enorm profiteerde.
Wel koesterde ik liefde voor individuen als individuen. Etnische verbondenheid, liefde voor je wortels en het zoeken naar identiteit in nationaliteit zag ik als een kinderlijke behoefte aan ouderlijke bescherming. Hoe kun je ooit het stadium bereiken waarin je jezelf aan een dergelijk infantilisme ontworstelt?, vroeg ik me als kind al af. In Jamaica voelde ik vanaf mijn derde jaar een pijnlijke verveling voor de familieliefde die van me verwacht werd.
Toen ik in 1981 naar de Verenigde Staten emigreerde, kwam ik oog in oog te staan met Amerika’s rigide raciale categorieën. Het liefst wilde ik leven in een wereld waarin de onschendbare waardigheid van ieder mens werd gerespecteerd, zonder dat raciale of etnische identiteit daarbij een rol speelde. Mettertijd werd mij duidelijk dat dit een kosmopolitische wereld was.
Het kosmopolitisme werd gemunt en ontwikkeld door de oude stoïcijnen en cynici. Zij kwamen op het idee dat een mens een primaire identiteit kon hebben, los van de identiteit die hij door zijn geboorte op een bepaalde plaats en in een bepaalde tijd vanzelf zou erven. Het ik was opgebouwd uit een serie concentrische cirkels, waarvan de binnenste bestonden uit het gezin, de stad en het dorp en vervolgens uit het land van herkomst. De buitenste – maar tevens de belangrijkste – was de familie van de menselijke gemeenschap. Alle mensen hadden een vermogen tot rationaliteit en kenmerkten zich door een moreel levensdoel dat culturele, regionale en sociale verschillen oversteeg.
Historisch gezien stond kosmopolitisme voor het primaat van het individu, in tegenstelling tot het primaat van de cultuur. Het onvermogen om de intrinsieke waardigheid van mensen te beschouwen als toevalligheden van geboorte – ras, etniciteit, religieuze binding en nationaliteit – werd beschouwd als een kolossale morele fout.
Het idee van het wereldburgerschap, waarmee bedoeld werd dat je tot de hele mensheid behoorde, maakte furore in de Hellenistische tijd. Het stoïsche kosmopolitisme vormde, samen met het epicurisme (zijn grote concurrent) een reactie op de geleidelijke verdwijning van de kleine stadsstaat (polis) gedurende de bloei van een wereldrijk. Toen Philippus van Macedonië en zijn zoon Alexander de Grote de monarchie oplegden aan heel Griekenland en nieuwe gebiedsdelen veroverden, verdwenen de poleis niet alleen als de enige zetels van politiek gezag voor de burgers, maar ook als veilige, geïsoleerde toevluchtsoorden waar men zijn lokale identiteit gestalte kon geven.
Een hedendaagse kosmopoliet zou erop wijzen dat in geen enkele cultuur moeders hun kinderen zomaar overleveren aan vreemden, dat mensen in alle culturen het vermogen hebben om om te gaan met schaamte en verlies van waardigheid, en dat dit slechts een paar voorbeelden zijn van de eigenschappen die alle mensen delen en die plaatselijke kenmerken te boven gaan.
Het kosmopolitisme staat diametraal tegenover het multiculturalisme. Radicale multiculturalisten verdedigen de opvatting dat de individuele identiteit gevormd kan worden binnen etnische, nationale of raciale paradigma’s die monolitisch van aard zijn. Het zijn geen separatisten. Maar ze staan er wel op dat de factoren die groepen van elkaar onderscheiden worden beschermd. Multiculturalisten verdedigen groepssolidariteit en een eenduidige groepsidentiteit.
Gematigde multiculturalisten zijn eerder geneigd om overkoepelende nationale of internationale gemeenschappen te erkennen. Zij benadrukken de abstracte aard van dergelijke gemeenschappen. Bovendien stellen ze zich kritisch op wanneer één specifieke cultuur zichzelf ten overstaan van de gemeenschap als zuiver, transparant of universeel tracht te kwalificeren. Gematigde multiculturalisten doen hun uiterste best om de bijdragen van schijnbaar ’marginale’ culturen aan die zogenaamd zuivere culturen te waarderen.
Kosmopolieten daarentegen menen, in overeenstemming met de pro-individualistische houding van de grondleggers van de stroming, dat socialisatie plaatsvindt in de wereld waarin mensen met elkaar omgaan. Socialisatie voltrekt zich in veelvormige ruimtes, door ontmoetingen met anderen en door ervaringen die we met hen opdoen. Uitgesproken kosmopolieten verwerpen de neiging van cultuurnationalisten en van raciale en religieuze ideologen om morele waarde toe te kennen aan eigenschappen als huidskleur, nationale herkomst en etnische achtergrond.
Uitgesproken kosmopolieten redeneren dat er niet één fundamentele cultuur bestaat waarin ieder individu in biologische zin thuishoort. Zij denken dat mensen in staat moeten zijn zelf hun identiteit uit te zeven op basis van hun ervaringen, rollen en contacten, met een veelheid aan normen en waarden, in plaats van op basis van de kwalificaties die hun door de cultuur of de samenleving als geheel worden toebedeeld.
Identiteit is voor de kosmopoliet onderhandelbaar en vloeiend. Zij wordt continu beïnvloed door de directe omgeving.
De politieke filosofie maakt onderscheid tussen de kosmopolitische en de internationale wetgeving. De kosmopolitische wetgeving beschermt de rechten van wereldburgers door hun verhouding tot de staat tot zorg van de wereldgemeenschap te maken, terwijl de internationale wetgeving zich bemoeit met de relaties tussen soevereine staten.
De vraag is hoe deze ideeën de persoonlijkheid zoals we die in de hedendaagse wereld aantreffen opnieuw kunnen vormen. De identiteit van een nieuwe, kosmopolitische persoonlijkheid is een morele, en behept met kosmopolitische deugden. Ze zou zich moeten vereenzelvigen met de wereld als geheel en zich moeten richten op de waardigheid en menselijkheid van ieder individu, om zo etnische, raciale en nationale loyaliteiten te vervangen door kosmopolitische loyaliteiten. Die identiteit zou zich bovenal voortdurend moeten ontwikkelen – het zou een onderhandelbare identiteit moeten zijn.
Dit brengt ons bij een actueel probleem. Wat is het kosmopolitische antwoord op de toenemende dreiging van het islamitisch djihadisme in Europa? Hoe moeten kosmopolieten reageren op schendingen van mensenrechten, op de onderdrukking van vrouwen, op de pogingen de gelijkberechtiging tussen man en vrouw te ondermijnen, op pogingen de sharia in te voeren? Hoe kunnen we, zonder de vrijheid van geweten geweld aan te doen, een moreel kosmopolitisch antwoord vinden op mensen die in alle openheid te kennen geven dat ze de westerse landen willen vernietigen waar ze politiek asiel dan wel een permanente verblijfplaats hebben gekregen? En wat moeten we doen met individuen uit zulke groepen die geboren zijn in de landen waarvan ze de vernietiging propageren?
Ik denk dat culturele en religieuze waarden geen vaste grootheden zijn. Schendingen van de lichamelijke integriteit uit naam van de cultuur zijn in strijd met de onvervreemdbare mensenrechten. Wanneer dit principe niet wordt nageleefd, is dat een omgekeerde vorm van discriminatie. Het betekent dat je andere mensen een andere menselijkheid toekent. Stel je eens voor hoe het voelt als je slachtoffer bent van psychische of fysieke mishandeling, en stel je dan eens voor dat de gevolgen daarvan minder ingrijpend zouden zijn voor iemand van een andere cultuur – dan hebben we, bij alle culturele verschillen, te maken met morele nalatigheid.
Het democratische Europa kan geen handelingen toestaan die indruisen tegen de grondwettelijke beginselen van zijn ruimdenkende staten, tegen de seculiere normen die de harmonie in de samenleving en de sociale samenhang garanderen. Dan hangt het een soort burgerreligie aan die haast even schadelijk is als het fundamentalisme waartegen die religie zich tracht te verweren.
Maar er is één ding dat buiten kijf staat. Als je het opneemt voor onvervreemdbare principes, zoals de intrinsieke waardigheid van alle mensen en de politieke waarden die deze waardigheid garanderen, dan moet je er terdege voor zorgen dat je van een mens nooit een stereotype maakt – vooral niet wanneer hij deel uitmaakt van groepen waarvan een klein aantal leden de harmonie van de maatschappij als geheel bedreigt.
De mensheid liefhebben betekent, onder andere, dat je een geest van respect bewaart voor het individu als individu, en dat je iemand nooit reduceert tot zijn ruwe stereotype.
Kortgeleden was ik bij de Christopher Street Day in Keulen. Als homoseksueel deed het me genoegen dat daar, in een Duitse stad die bekendstaat als progressief en tolerant, zoveel homoseksuele mannen en vrouwen waren. Tegelijk moet ik toegeven dat ik me een beetje ongemakkelijk voelde met de gelijktijdige aanwezigheid van een groot aantal moslimmannen en moslimvrouwen. De meeste moslims lijden aan homofobie, zo had ik toch dikwijls gelezen. Zouden ze de aanwezigheid van half ontklede mannen als aanstootgevend ervaren? Zouden ze op enigerlei wijze protesteren?
Zulke angsten zijn niet irreëel. Zie de recente golf van aanvallen op homoseksuele mannen in Amsterdam door – vooral – Marokkaanse (moslim)jongeren.
Nederland is in Europa absoluut een modelland als het gaat om tolerantie jegens homoseksualiteit. Het vertegenwoordigt het liberalisme ten top, opgevat als een filosofie die de waardigheid en de onvervreemdbare rechten van mensen in ere houdt omdat die een universele menselijkheid belichamen. Nederland is in dat opzicht stukken verder dan mijn eigen tweede vaderland, de Verenigde Staten van Amerika. Helaas neigt multicultureel links, in zijn dwaze tolerantie jegens islamitische jongeren, ertoe het op te nemen voor dergelijke geweldplegers.
Nederland was het eerste Europese land dat ik jaren geleden ooit bezocht, en waar ik me, als nog maar net uit de kast gekomen homoseksueel, indertijd veilig voelde. Nu dreigt het af te glijden naar het niveau van een preliberaal, primitief stammendorp – waar de Marokkaanse jongeren voor schijnen te vechten. En dat is precies waar je ze naartoe zou moeten brengen.
Marokkaanse jongeren die kennelijk niet in de seculiere Nederlandse waarden geloven en die dergelijke intolerantiemisdrijven begaan, dienen stevig te worden gestraft. De multiculturele progressieven die verzachtende culturele omstandigheden voor deze daden aanvoeren, moeten moreel en sociaal in de ban gedaan en als medeplichtig worden beschouwd aan de misdrijven van de lieden die ze verdedigen.
Wie zal zijn angst overwinnen en de nobele seculiere waarden van Nederland consequent verdedigen?
Het valt niet mee om die angst te overwinnen, maar het is mogelijk. Zelf moest ik ook de angst voor mijn eigen vooroordeel onder ogen zien. Toen ik samen met mijn partner de trap van ons hotel in Keulen afkwam, bleef de gesluierde islamitische vrouw, verantwoordelijk voor het schoonmaken van onze kamer, even op het bordes staan. Ze knipoogde me vriendelijk met beide ogen toe. Mijn angst bedaarde wat.
Toen ik de ochtend daarop het overvloedige ontbijt bewonderde in de eetzaal, zag ik haar achter het buffet staan. Ze gaf me een blik van herkenning, boog haar hoofd en glimlachte weer. Dit keer glimlachte ik hartelijk terug en knipoogde eveneens met beide ogen. We glimlachten naar elkaar, en ik wist dat we een diepe, gemeenschappelijke menselijkheid deelden.
Sommigen zullen zeggen dat het in deze tijd naïef is om dergelijke gevoelens te koesteren. Maar ik weet dat het de enige manier is om de kosmopolitische geest in je hart te bewaren en om te voorkomen dat die gekidnapt wordt door een stammenlogica die de mensheid verdeelt in wij en zij.
Als je een hele groep in je hart reduceert tot haar minst achtenswaardige leden, dan doe je afbreuk aan de menselijkheid van degenen die met die lieden niets te maken hebben.
De geschiedenis is vol van dergelijke morele misdrijven. En het overgrote deel van de geschiedenis biedt geen prettige aanblik.
Vertaling Jabik Veenbaas
Jason D. Hill is filosoof en verbonden aan de DePaul University in Chicago.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.