*

 

’Nivellering’ is een woord uit de oude doos

Wouter Bax − 22/09/07, 01:20

De Miljoenennota bevat maatregelen om de kloof tussen hoge en lage inkomens te verkleinen. Volgens de VVD herinneren deze aan de nivellering van het kabinet-Den Uyl. Is dat ook zo?

Nivelleren is overheidsingrijpen, en overheidsingrijpen is links. Op grond van deze formule lijkt de VVD de aanval te hebben geopend op de begrotingsplannen van het kabinet-Balkenende. Die ontkent op zijn beurt ten stelligste dat het nivelleert. Wat is dat toch met dat woord?

„Nivelleren is bijna een containerbegrip, want er zijn zoveel soorten nivellering”, zegt de Tilburgse professor algemene economie Ad Kolnaar, die tot 2006 kroonlid was van de Sociaal-Economische Raad (SER). Het gebakkelei in Den Haag of de overheid nu wel of niet nivelleert, amuseert hem wel. „Laten we voor het gemak maar simpelweg vasthouden aan de stelling dat nivelleren het verkleinen van de verschillen tussen hoge en lage inkomens is. Op grond daarvan kun je zeggen dat de Miljoenennota een paar maatregelen bevat die op zichzelf een nivellerende werking hebben.

„Er is bijvoorbeeld de verhoging van het belastingtarief in de tweede schijf, waardoor de middeninkomens netto dichter bij de lagere inkomens komen. En er is het feit dat een deel van de kinderbijslag inkomensafhankelijk wordt, waardoor mensen met een hoger inkomen relatief minder bijslag krijgen.” Andere voorbeelden zijn de pensioenpremie, die vanaf een inkomen van 185.000 euro niet meer aftrekbaar is, en de verhoging van de bijdrage voor de AWBZ, de volksverzekering voor buitengewone ziektekosten, voor mensen met een hoog inkomen.

Door maatregelen als deze groeien de verschillende inkomens en vermogens naar elkaar toe, tenminste: als het nivellerende effect niet door andere maatregelen of effecten teniet wordt gedaan.

Hoe nivellerende maatregelen uitpakken voor de individuele burger hangt volgens Kolnaar af van de vraag of hij ’macht’ heeft, of juist afhankelijk is van de ’markt’. „In de hogere inkomensgroepen komt het voor dat mensen de macht hebben om hun eigen bruto-inkomen te verhogen. Zo kunnen ze het effect van een nivellerende maatregel dus zelf ongedaan maken”, zegt hij. „Maar als je voor je inkomen afhankelijk bent van de markt, kan nivellering je wel in de portemonnee treffen, want je moet met je inkomen concurreren tegen anderen.”

In elk geval staat nivelleren te boek als ’links’ beleid, omdat de overheid actief ingrijpt om de inkomens eerlijker te verdelen. „Op grond daarvan zou het woord voor de PvdA als een compliment kunnen klinken”, zegt Kolnaar. „De rechtse partijen willen juist inkomensverdeling zónder overheidsingrijpen. Zij willen de markt haar werk laten doen.”

Zo associeert VVD-voorman Mark Rutte nivellering met Haagse bemoeizucht, uitmondend in een hogere belastingdruk. Van hem kreeg het kabinet het in de afgelopen dagen stevig voor haar kiezen. Rutte beklemtoont de lastenverzwaring van 5 miljard euro. Daarvan komt 2 miljard ten laste van de bedrijven, vooral door de hogere ziektekostenpremies die zij moeten gaan betalen. De overige 3 miljard wordt opgebracht door gezinnen, waarbij minister van financiën zo veel mogelijk rekening heeft geprobeerd te houden met hun draagkracht.

Rutte maakt er korte metten mee. Volgens hem nivelleert de regering-Balkenende bij het leven, maar wil ze dat zelf niet weten. Politiek gebruikt Rutte dat verwijt misschien om binnen de VVD van zijn linkse imago af te komen, maar volgens VVD-prominent Ed Nijpels heeft Rutte ook inhoudelijk een punt. Nijpels, commissaris van de koningin van Friesland, herinnert zich de heftige debatten tussen Joop den Uyl en Hans Wiegel in de jaren zeventig nog goed.

Nijpels, die eerst voorman was van de VVD-jongerenbeweging JOVD en later fractievoorzitter en lijsttrekker van de VVD, doet het destijds heersende streven van de regering-Den Uyl, van 1973 tot 1977, naar een eerlijker inkomensverdeling af als „linkse jaloezie”. „Alles moest eerlijk worden verdeeld. Er werden koopkrachtplaatjes gemaakt tot drie cijfers achter de komma”, zegt hij, niet zonder spot. Het feit dat premier Balkenende en minister van financiën Bos ontkennen dat de nieuwe begrotingsplannen een nivellerende werking hebben, beschouwt Nijpels als positief. „Kennelijk wekt nivellering negatieve associaties op”, zegt hij. „Dat is vanuit liberaal oogpunt een uitstekende ontwikkeling.”

Maar stel nu dat Balkenende en Bos gelijk hebben, dus dat er per saldo echt niet of weinig nivellering plaatsvindt? Volgens Flip de Kam, hoogleraar openbare financiën aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) en als kroonlid van de SER net als Kolnaar een vooraanstaande adviseur van sociale partners, is het in elk geval overdreven om te doen alsof de jaren zeventig van Den Uyl nu in volle hevigheid herleven.

„De Miljoenennota bevat nu enkele nivellerende maatregelen, maar dat is niet te vergelijken met de situatie in de jaren zeventig”, zegt De Kam. „Ik kom in de begrotingsplannen een paar kleine dingetjes tegen die echt alleen effect hebben op de allerhoogste inkomens. Je gaat er pas op achteruit met een huis met een waarde vanaf een miljoen euro of met een salaris van boven de 185.000 euro. Deze plannen hebben dus slechts gevolgen voor een flinterdunne toplaag, de financiële elite.”

De Kam rekent het voor. „Stel, je huis is 2 miljoen euro waard en je zit met je salaris in het hoogste belastingtarief van 52 procent, dan gaat je aanslag voor de inkomstenbelasting omhoog met 10.332 euro. Dat kun je gerust een forse ingreep noemen van het kabinet, evenals het niet meer aftrekbaar zijn van de pensioenpremie boven een inkomen van 185.000 euro. Maar laten we eerlijk zijn: Hoeveel mensen zijn het slachtoffer van deze maatregelen? In totaal verhogen ze de inkomsten van de Staat met niet meer dan 75 miljoen euro.”

Dat was precies het argument dat Nijpels in de jaren tachtig gebruikte in zijn pogingen om nivellerende maatregelen van de overheid tegen te houden. „Ik drukte het kabinet met de neus op een statistisch feit, namelijk dat de nivellering uitsluitend ideologische motieven had”, zegt Nijpels triomfantelijk. „Het ging maar om zo’n kleine groep mensen dat het effect voor de schatkist nihil was.”

Maar volgens De Kam was het juist de ideologie achter het beleid van Den Uyl die maakte dat het toen uitdrukkelijk niet alleen de hoogste inkomens waren die werden aangepakt. „Karakteristiek van het kabinet-Den Uyl was dat het de inkomensverschillen wilde verkleinen over de hele linie, dus van de laagste tot de hoogste inkomens. En daarbij koos Den Uyl duidelijk de kant van de zwakkeren.”

Dat leverde enorme debatten op, omdat Den Uyl in zijn ideaal van de maakbare samenleving niet de toegeeflijkheid aan de dag legde die de huidige grote partijen kenmerkt om de regeringscoalitie bij elkaar te houden. Den Uyl stelde zich diametraal op tegenover zijn politieke tegenstanders en nam voor lief dat de staatsschuld tijdens zijn termijn opliep, hoewel dat ook in de daaropvolgende kabinetten het geval zou zijn.

Spectaculair was het beleid van Den Uyl wel. Zo was er zijn streven van ’vijf staat tot één’, dus dat de hoogste inkomens niet meer mochten bedragen dan vijf keer het minimumloon. Zijn bevlogenheid inspireerde ook de vakbonden om de werkgevers het vuur na aan de schenen te leggen. Zo was er het fameuze debat over ’centen of procenten’, waarbij de vakcentrale FNV erop stond dat loonstijgingen niet tot uitdrukking kwamen in procenten, en dus precies gelijk opgingen, maar in harde centen. De werknemers in de industrie moesten daadwerkelijk met hun salaris op de hogere inkomens inlopen.

Wat het beleid van Den Uyl volgens De Kam tekende, was dat hij de inkomensverschillen niet zozeer wilde verkleinen door de topinkomens te verlagen, maar juist door de laagste inkomens omhoog te tillen. „De laagste inkomens gingen erop vooruit, de hoogste inkomens wat minder”, zegt De Kam. „Dus om nu te zeggen: ’daar komt de grote kaasschaaf weer’ lijkt me overdreven. het protest dat de have’s nu laten horen, verdient echt nuancering.”

De Kam, die alle Miljoenennota’s vanaf de jaren zestig thuis in de kast heeft staan, heeft het nog eens opgezocht. Wie wil weten wat echte nivellering is, moet kijken naar wat het roemruchte kabinet-Den Uyl deed in de jaren zeventig, zo blijkt.

„Het meest linkse kabinet van na de oorlog deed de koopkracht van de mensen met de laagste inkomens in vijf jaar stijgen met maar liefst 16 procent”, zegt De Kam. „Jan Modaal, dus de doorsnee werknemer, moest in die periode genoegen nemen met een koopkrachtstijging van 8 procent. De middenklasse, dus de groep mensen die twee keer het modale salaris verdienen, boekte slechts enige procenten winst. En de hoogste inkomens leverden een paar procent in.”

„Kijk”, zegt De Kam, „dát is nivelleren! De inkomens waren dichter bij elkaar gekomen en ook het doel was niet uit het oog verloren, namelijk verzekeren dat de mensen met de laagste inkomens meer meeprofiteren van de welvaart dan voorheen het geval was.”

Wie deze cijfers naast de nieuwste Miljoenennota legt, kan met De Kam slechts vaststellen dat nu nauwelijks sprake is van nivellering. „Voor de minima geldt dat ze er in 2008 per saldo noch op vooruit, noch op achteruit gaan. Wie werkt voor het modale loon van 31.000 euro of het dubbele daarvan, gaat er gemiddeld een kwart procent op achteruit. En van de mensen met een echt hoog inkomen weten we het niet precies omdat koopkrachtplaatjes minder betrouwbaar worden naarmate het inkomen hoger wordt. Eigenlijk kun je ze alleen toepassen op de situaties van mensen met een uitkering of een ’gewone’ baan.”

Er valt nog wel meer af te dingen op de discussie over nivelleren, zegt De Kam, om de simpele reden dat de overheid uiteindelijk slechts beperkt invloed kan uitoefenen op de koopkracht van mensen. „De overheid komt aan onze huishoudportemonnee door fiscale en sociale maatregelen, maar hoe het ons financieel uiteindelijk vergaat, hangt af vanandere dingen: of we werk vinden, carrière maken, ziek worden, trouwen of een huis kopen.”

Om echt te weten wat de begrotingsplannen betekenen voor de 7,5 miljoen Nederlandse gezinnen, zou je ze eigenlijk allemaal apart moeten bekijken, zegt De Kam, want in Den Haag baseert men zich logischerwijs slechts op gemiddelden. Maar iedereen kan op basis van zijn individuele keuzes wel ongeveer inschatten wat hij mag verwachten. De Kam: „Iemand die niet met het vliegtuig op vakantie gaat, geen auto rijdt, niet rookt en niet drinkt zal van de lastenverzwaring veel minder merken.”

mailIcon print |