*

 

huygen / Wie durft er nog kritiek te leveren op de baas?

Annelies Huygen − 04/09/07, 01:26

In mijn vorige column had ik het over de oorlog. In een tussenzinnetje constateerde ik dat mensen zich precies zo gedroegen als in het normale leven: „een klein aantal is zeer dapper, een klein aantal is uitgesproken laf of opportunistisch. De grote meerderheid probeert zich zo goed mogelijk er doorheen te slaan, zonder al teveel schade op te lopen”.

Op deze zin ontving ik veel commentaar. Ik zou dit te gemakkelijk gezegd hebben. Ik zou niet begrijpen hoe moeilijk de oorlog was. Hoe bang mensen waren. Verder zou ik de ’kleine dapperheid’ onderschatten, van een groot aantal mensen met kleine daden van verzet.

Natuurlijk, ik heb de oorlog niet meegemaakt. Ik weet alles via derden. Met het zinnetje projecteerde ik ervaringen van nu op het verleden. Dappere mensen zijn in de minderheid. Hoe groot die minderheid is, weet ik niet precies. Maar moed is een bijzondere eigenschap, die juist daarom zoveel waardering verdient.

Ik maakte bijvoorbeeld een keer van nabij een arbeidsconflict mee, waarbij de baas iemand op oneerlijke wijze wilde ontslaan. Hij gaf opdracht om de notulen van een vergadering te vervalsen. De hele afdeling zat erbij, maar hield zijn mond. Behalve twee mensen: een secretaresse en een buitenlandse vrouw, extra kwetsbaar vanwege haar tijdelijke aanstelling. Zij kwamen in het geweer.

De meerderheid, met vaste aanstelling, knikte gedwee. Zij dachten aan hun toekomst. Sommigen excuseerden zich zelfs na de vergadering bij het slachtoffer: ’Je hebt wel gelijk, maar je snapt dat ik het niet kon zeggen. Dan zou ik mijn promotie in gevaar brengen’.

Natuurlijk is dat te begrijpen. Maar is het ook te verontschuldigen? Mogen we verwachten dat een werknemer zijn nek uitsteekt als zijn collega onrecht wordt aangedaan? Misschien tot schade van zichzelf? Blijkbaar niet.

Onze helden moeten we eren. We moeten ons vooral niet inbeelden dat we zelf moedig zijn als dat nodig is. Dat wij zelf een verzetsheld zijn, als een oorlog uitbreekt. We mogen dat wel wensen. We mogen ervan dromen. Maar we weten het pas zeker, als we het echt gedaan hebben. Statistisch gezien is de kans niet zo groot.

Soms is het uitoefenen van kritiek al een daad van moed. Of het nu komt door de schaalvergroting, door de toegenomen macht van managers of door de tijdgeest, ik weet het niet, maar het lijkt alsof steeds meer mensen problemen krijgen als ze hun mening zeggen. Als ze een discussie willen aanzwengelen over een gevoelig punt.

De laatste weken waren er drie incidenten. Elma Verhey, die het veld moest ruimen als hoofdredacteur van het ledenblad van de SP. Zij weigerde om een artikel in te trekken over de besluitvorming inzake de senator Yildirim. Thijs Janssen, hoofdredacteur van het blad van het wetenschappelijk instituut van het CDA, moet ook opstappen vanwege de kritische inhoud. Hans Goslinga gaf in deze krant een mooie analyse.

Zelfs de universiteit van Leiden doet mee aan het smoren van discussies. Het universiteitsblad Mare mag zelf geen nieuws meer vergaren. Dat wordt een taak van de voorlichtingsdienst, die ook de reclame verzorgt. Kritische geluiden worden zo weggemoffeld.

In een land als het onze, waar vrijheid van meningsuiting tot hoogste goed wordt bestempeld, zou je een storm van verontwaardiging verwachten. Een massaal protest van de leden en de werknemers. Je zou denken dat ze hun leiders ter verantwoording roepen. Maar zo gaat dat niet. De meeste mensen houden zich stil. Ze willen hun positie niet in gevaar brengen.

Zo komen de machthebbers ermee weg. Blijkbaar staat iedereen voor hen in het gelid. Een dappere minderheid daargelaten.

mailIcon print |