Het valt niet mee de clichés te omzeilen, als je belangrijkste romanpersonage een schaker is. ’Hexum’ ontkomt niet aan de gemeenplaatsen.
David Mulder: Hexum. Anthos, Amsterdam. ISBN 9789041410269; 361 blz. euro 18,95
Als iemand een roman over een sterke schaker schrijft, dan is het risico groot dat het schaakspel wordt gebruikt als leverancier van clichés. De heldere spelregels bevredigen bijvoorbeeld een behoefte aan orde. Of de zwart-witte vlakken contrasteren met de grijstinten in de echte wereld. Of genialiteit compenseert onhandigheid in de sociale omgang. Zoiets gebeurt ook in ’Hexum’, de tweede roman van David Mulder van wie vier jaar geleden het goed ontvangen debuut ’Bruiloften en partijen’ verscheen.
„Schaken is een donker hol, waarin ik me verstop voor het echte leven, dat buiten volop aan de gang is”, vertelt hoofdpersoon Felix Buyvoets. Hij noemt het spel helder en eenduidig; dit in tegenstelling tot dat ’echte leven’, waarin misverstanden op de loer liggen.
Felix, de nummer elf van de wereld, worstelt met zijn mannelijkheid en dat merkt hij aan zijn niveau. Als hij geen feministische opvoeding had gehad, suggereert Mulder, zou hij vast beter schaken. En inderdaad, Felix stijgt boven zichzelf uit wanneer die worsteling tijdelijk wegvalt in het toernooi van Wijk aan Zee. Hij heeft daar Margriet leren kennen, een sensuele vrouw die zijn mannelijke kanten wakker kust. Dankzij haar verslaat hij zelfs de regerend wereldkampioen.
Mulder gebruikt het schaakspel dus als weerspiegeling van gemoedstoestanden en als een universum waarin de hoofdpersoon kan wegvluchten. Bovendien suggereert hij ermee dat zijn personage intelligent is. Het schaakspel als multifunctionele gemeenplaats.
Zo’n archetype als De Schaker heeft het nadeel dat de auteur een extra horde moet nemen: hij hoeft maar één misstap te maken of je neemt geen genoegen meer met het cliché. En Mulder maakt misstappen.
Zijn roman begint in een sauna. Daar spreekt Felix de paranoïde grootmeester Carlos Castella, die in een tweekamp de wereldtitel wil veroveren en die Felix wil inhuren als secondant. Toevallig loopt Felix daar ook het stoere boezemvriendinnetje uit zijn jeugd tegen het lijf. Morak heet ze. Hun ouders hadden samen een alternatieve woonvorm gesticht in boerderij ‘Hexum’. Zij willen niet vertellen waarom die uiteen viel, maar laten doorschemeren dat het aan Felix lag. Zal Castella de tweekamp winnen? En waarom mochten Felix en Morak elkaar plotseling niet meer zien? Zal het overspel met Margriet tot een breuk met Morak leiden? De soap-achtige vragen liggen voor het oprapen.
Met een opzienbarende stijl had Mulder het boek misschien veilig om de klippen van de clichés heen kunnen loodsen, maar daarover beschikt hij niet. Zijn bloemrijke taal resulteert te vaak in betekenisloosheid. Neem deze beschrijving van grootmeester Castella: „Met zijn onophoudelijk rondspeurende ogen, zijn neurotisch fladderende handen, zijn continue gesnuif en het geknipper van zijn oogleden had hij iets dierlijks over zich gekregen. Hij was een duif, een konijn, een aap en een hangbuikzwijn in één.”
Aan zo’n fabeldier heb je niets. Mulder schrijft niet trefzeker en dat maakt zijn stilistische waaghalzerij potsierlijk in plaats van spannend. Vooral heftig bedoelde scènes – „Er sijpelt honing uit de hoorn, zo mijn oor in, het stroomt langzaam verder naar mijn borst, mijn buik” – hebben eronder te lijden. De beschrijvingen zijn zo verbrokkeld, dat het soms lijkt alsof de schrijver het ene beeld al is vergeten wanneer hij bij het andere aankomt.
De lezer die toevallig iets van de schaakgeschiedenis weet, krijgt het nog zwaarder te verduren. Dan maken Mulders missers de romanwereld nog ongeloofwaardiger.
Uitdager Castella neemt bijvoorbeeld grootmeester Dwight Kingston in dienst, de nummer vijftien van de wereldranglijst. „Binnen het circuit”, schrijft Mulder argeloos, „werd met verbazing gereageerd op het bericht dat Castella hem als eerste uitkoos om secondant te worden voor de match. Al snel werd aangenomen dat het te doen was om Kingstons tenniskwaliteiten.”
Mulder knipoogt naar Spasski’s voorbereidingen op zijn legendarische match tegen Fischer. Spasski koos destijds onder anderen een jonge internationaal meester als secondant, met wie hij liever tenniste dan schaakte. Maar de nummer vijftien van de wereld is een gigant. Die vraag je niet voor een potje tennis.
Zulke slordigheden laten zien dat Mulder niets oorspronkelijks over het schaakspel te melden heeft. Hetzelfde geldt voor onderwerpen als feminisme, identiteit en liefde. Een alternatieve woonvorm wordt interessant als de schrijver er een nieuwe blik op werpt. Dat doet Mulder niet en zo krijgen de thema’s geen kans elkaar te versterken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.