Wat de beeldende kunst van de film kan leren, is maatschappelijke betrokkenheid, vindt Rutger Wolfson, directeur van de Vleeshal in Middelburg én baas van het Film Festival. ’Met moralisme is niks mis’.
’Gaat het interview over het Film Festival? Of gaat het over het museum?” Rutger Wolfson moet zijn aandacht verdelen over twee banen en dat is soms verwarrend. Niet dat het verder veel uitmaakt, want of het nu over film gaat of over beeldende kunst, Wolfson is overal voor in als het cultuur betreft.
Hij is een culturele veelvraat, altijd al geweest. Hij houdt van film en beeldende kunst, maar ook van popmuziek en jazz, van literatuur, van mode en vormgeving. Werkte in grammofoonplatenwinkels, speelde in muziekbandjes en studeerde kunst- en cultuurwetenschappen aan de Erasmusuniversiteit. En sinds kort heeft hij twee banen in de kunstsector.
Hij was al (vanaf 2000) directeur van De Vleeshal in Middelburg, een kunstcentrum voor moderne kunst. Vorige maand kwam daar de benoeming bij tot directeur van het Internationaal Film Festival Rotterdam. Die laatste functie is op tijdelijke basis. Omdat er geen geschikte opvolger gevonden kon worden voor Sandra den Hamer, stelde Wolfson die al in het bestuur zat van het Film Festival, zich beschikbaar om de kar tijdelijk te trekken.
Drie dagen per week zit hij in Rotterdam, de andere twee in Middelburg. Het is de bedoeling dat hij na afloop van het Film Festival, dat eind januari plaatsvindt, terugkeert naar de De Vleeshal. Zelfs voor een veelvraat is de combinatie van deze twee banen behoorlijk heftig, vertelt hij op het kantoor van het Film Festival. „Want ik wil niks half doen.”
Natuurlijk zijn er raakvlakken tussen film en beeldende kunst. Maar er zijn ook grote verschillen. „Wat me vooral aanspreekt in de filmwereld is dat de maatschappelijke betrokkenheid zoveel vanzelfsprekender is dan in de beeldende kunst. Dat komt natuurlijk ook doordat film massacultuur is. Je hebt natuurlijk wel echte kunstfilms, maar je hoort hier nooit onderscheid maken tussen hoge en lage cultuur. In de beeldende kunst wordt wel in die duidelijke tegenstelling gedacht. Je bent voor de kunst of voor massacultuur. De kunst is voorbehouden aan het museum, maar die exclusiviteit leidt er wel toe dat de musea niet openstaan naar de samenleving en daardoor aan maatschappelijk belang inboeten.”
En daarmee zijn we ook meteen aangeland bij het onderwerp van het boekje dat onlangs van zijn hand verscheen: ’Het museum als plek voor ideeën’. Daarin ontvouwt Wolfson, net als in de in 2003 door hem samengestelde essaybundel ’Kunst in crisis’ een prikkelende visie op de museumwereld, die naar zijn mening veel te veel naar binnen is gekeerd en zich te weinig engageert met de wereld buiten de museummuren.
Het eerste boek maakte veel los, maar leidde tot zijn teleurstelling niet tot een diepgravende discussie over het onderwerp dat hij wilde aanzwengelen. „Wat ik vooral te horen kreeg is dat ik de kunst zou willen verkwanselen, de musea verplatten of dat ik uit zou zijn op een mooie functie. Daarmee word je dan kaltgestellt, wat ik jammer vind. Waarom ik dan die boekjes schrijft? Ik heb gewoon de drang om dingen te veranderen. Musea kunnen zoveel meer dan wat ze nu doen.”
Simpel gezegd wil hij dat musea meer ambitie tonen, zonder dat ze iets af hoeven te doen aan hun kwaliteiten of zich dienen te verlagen tot platte publieksgerichte activiteiten. „Er is natuurlijk niks mis met een mooie tentoonstelling over Vermeer. Daar heb ik zelf een paar jaar geleden ook zeer van genoten. Maar ik denk dan wel: je kunt zoveel meer doen met Vermeer door ook een link te leggen met de actualiteit. Ik weet dat dat niet altijd makkelijk is, het hóeft ook niet altijd, maar probeer het wel. Bij de Jeroen Boschtentoonstelling in Boijmans Van Beuningen is wel die poging ondernomen. Het had beter gekund, maar in ieder geval is getracht ook de actualiteit van Jeroen Bosch te laten zien.”
De rol van musea is net als in de negentiende eeuw nog steeds: verzamelen, bewaren, tonen en onderzoeken. En dat alles vanuit het kunsthistorische perspectief. Volgens Wolfson wordt het tijd dat de musea zich afvragen of ze het daarmee redden in een samenleving die sterk veranderd is en waarin de massamedia nu een prominente rol spelen. Als de musea zelf geen initiatieven nemen, gaan de beleidsmakers dat wellicht doen en krijgen ze opdrachten van bovenaf. Dan dreigt misschien het gevaar dat musea vooral beoordeeld worden op hun bijdrage aan de economie.
Wil het museum weer een gezaghebbende positie vervullen in de samenleving, dan is het volgens Wolfson allereerst nodig dat de exclusiviteit wordt opgegeven. Nu zijn de musea alleen voor de kunstenaars. „Waarom zou je geen andere interessante mensen toelaten? Er wordt dan al gauw gezegd dat je in het museum dingen moet laten zien die autonoom zijn gemaakt. Maar dat kan toch ook gelden voor bijvoorbeeld een modeontwerper. Normaal ontwerpt hij kleding voor de markt. Maar binnen de muren van het museum kan hij dat loslaten en laten zien hoe bijvoorbeeld de mode verleidt.”
In de Vleeshal probeert Wolfson sinds zijn aantreden, zeven jaar geleden, zo te werken. Hij haalde skaters en vj’s binnen, wat hem prompt het verwijt opleverde dat hij te populistisch zou zijn en alleen maar de bezoekcijfers wil opjagen. Maar loop je als museum ook niet het risico te ’hyperig’ te worden door achter trends aan te hollen of je agenda te laten bepalen door een terroristische aanslag of een politieke kwestie? Daar heb je toch de media voor?
„Je moet inderdaad waken voor hypes of al te direct inhaken op de actualiteit. Musea moeten plekken blijven voor reflectie en mensen prikkelen of op andere gedachten brengen door een extra laag en nuances toe te voegen aan het onderwerp. Ze moeten ook gewoon hele mooie exposities blijven maken, maar ze kunnen daar wel een andere draai aan geven, waardoor je toch de link legt met de actualiteit. Soms lukt dat, soms niet, maar je moet er wel over nadenken om niet alleen vanuit het kunsthistorische perspectief naar de dingen te kijken. Dan kun je als museum een waardevolle bijdrage leveren aan nieuwe inzichten bij het publiek.”
Een mooi voorbeeld van een museum dat een goed uitgewerkte visie heeft ontwikkeld, vindt hij het Zeeuws Museum, dat deze zomer na een jarenlange sluiting en verbouwing weer open ging. Aan zaalteksten doet het museum niet meer, zodat bezoekers niet meer eerst de bordjes gaan lezen, maar veel onbevangener en ook beter gaan kijken. Als ze toch behoefte hebben aan meer informatie, kunnen ze die alsnog krijgen. Ook de manier waarop dit museum de oude streekklederdrachten toont, onder meer in combinatie met eigentijdse mode, is prikkelend en vernieuwend, meent Wolfson.
Geslaagd vindt hij ook de expositie die Guus Beumer na de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh als gastconservator maakte in De Vleeshal over de esthetiek van de veiligheid. Dat thema werkte hij uit aan aan de hand van historische settings van interieurs. Wolfson: „Normaal worden meubelstukken in het museum getoond om iets over de kunst- en designgeschiedenis te vertellen. Hier werden meubels geëxposeerd om iets over de wereld te zeggen. Een interieur uit het eind van de negentiende eeuw met zijn zware bekleding en zachte dikke stoffen suggereerde een veilig hol tegen de industrialisatie. Er was ook een eigentijdse opstelling, waarin transparantie de boventoon voerde, met de onderliggende boodschap dat je in een transparante omgeving alles kunt controleren maar ook zelf gezien kunt worden.”
Vanuit verschillende perspectieven naar dezelfde dingen kijken kan volgens Wolfson veel meer losmaken bij het publiek. „Maar wat zeker zo belangrijk is dat de musea daarmee aangeven dat kunst ook een maatschappelijke urgentie heeft.” Dat klinkt tamelijk moraliserend, erkent hij. „Maar wat is er mis met moralisme? Ik heb geen moeite met kunst met een mening of boodschap, omdat ik vind dat musea moeten nadenken over hun betekenis voor de samenleving.”
Rutger Wolfson: Het museum als plek voor ideeën, uitg. Valiz. Eerder verscheen de bundel Kunst in crisis, uitg. Prometheus.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.