Rwanda heeft al drie jaar volkstribunalen, de zogeheten gacaca’s, voor ’génocidairs’. Maar de broodnodige verzoening lijkt nog altijd een brug te ver.
Verstopt tussen groene heuvels en maïsvelden even buiten de hoofdstad Kigali ligt het gemeentekantoortje van Ndera. Voor het gebouw houdt een cipier Augustin Libakale onder schot. Diens blik lijkt versteend. Hij wacht al 11 jaar in voorarrest om berecht te worden voor genocidemisdrijven. Libakale geeft toe dat hij zich in april van 1994 aansloot bij een moordende militie, maar ontkent zelf te hebben gedood: „Ik zag overal om me heen mensen lid worden van zulke groepen. Dus ik ging er gewoon bij.” Hij hoopt op vrijspraak. „Wat er is gebeurd, is slecht. Ik vraag vergeving voor wat ik heb gedaan.”
Tien meter verderop zit André Bizimungu, die vrouw en vijf kinderen verloor tijdens de genocide. Zijn vijf andere kinderen leven nog. „Die man daar was mijn buurman. Hij was lid van de groep die mijn dierbaren heeft vermoord.” De gebeurtenissen van weleer spelen voortdurend door zijn hoofd: „Zonder God zou ik het niet hebben overleefd. Nu ben ik maar stil.”
Bizimungu en Libakale zijn hier voor een zitting van een volkstribunaal. Over het hele land verspreid zijn veertienduizend van dergelijke gacaca’s actief. Sinds het begin van de volkstribunalen in 2005 velden zij zo’n honderdduizend vonnissen. Het in Tanzania gevestigde Rwandatribunaal en de reguliere Rwandese rechtbanken buigen zich over de planners van de genocide, de leiders die willens en wetens opriepen tot geweld. De gacaca-rechters, lekenrechters, gaan over die honderdduizenden gewone stervelingen, die aan het moorden sloegen. Sinds kort mogen zij ook misdaden in de zwaarste categorie behandelen.
Dertien jaar na dato is nog altijd niet te bevatten hoe het land in een massapsychose geraakte. Honderd dagen duurde de Rwandese genocide. Tussen de 500.000 en één miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s werden gedood. In juli 1994, drie maanden na het begin van de genocide, werd het extremistische Hutu-regime verjaagd door Tutsi-rebellen onder leiding van Paul Kagame, de huidige president. Hij moet nu het ontwrichte land weer in het gareel krijgen.
„Een van de doelen van gacaca is het naar boven halen van de waarheid. Tegelijk is onze missie het uitwissen van de cultuur van straffeloosheid”, zegt Domitilla Mukantaganzwa, die leiding geeft aan het gehele gacacaproces. „Velen hebben spijt van wat ze hebben gedaan, dat zie je. Maar er zijn er ook bij die hun eigen verantwoordelijkheid verdoezelen. We hebben mannen in de gevangenis die hun eigen moeder ombrachten. Je mag dan wel m’n moeder zijn, maar je bent een slang!”. Een hoge lach ontsnapt haar.
De kranige Mukantaganzwa denkt niet dat het te vroeg is om over verzoening te praten. „1994 zal voor altijd in ons geheugen gegrift staan. We kunnen de doden onmogelijk tot leven wekken. Maar gacaca draagt bij aan de basis voor verzoening, omdat het de mensen bij elkaar brengt in één ruimte. Nu is het zaak dat we het sociale fundament van onze samenleving weer opbouwen. Het hele land moet gerehabiliteerd worden.”
Veel overlevenden zijn alles kwijtgeraakt, hebben nog altijd geen eigen dak boven hun hoofd of ontberen medische zorg. Het is een belangrijk obstakel richting verzoening. Mukantaganzwa is zich van het probleem bewust: „We willen meer doen om die mensen sociaal en economisch vooruit te helpen”.
Dan zijn er nog de mensen die hun hoop op juridische genoegdoening in rook zagen opgaan, omdat zij die schuld bekenden slechts werkstraffen kregen opgelegd, of omdat verdachten simpelweg werden vrijgesproken. Ook voor die groep is ’verzoening’ een hard gelag. Neem Mkamlizi, een stevig gebouwde vrouw van in de dertig. Zij heeft de gacacarechters niet kunnen overtuigen van haar zaak. Ze is gebroken en zoekt troost bij een meegereisde vriendin. Nadat haar echtgenoot tijdens de genocide was vermoord, sloeg ze op de vlucht. In een volle bus bij een grenspost moesten ze halt houden. Op straat tussen de moordcommando’s stond een vrouw opzichtig naar haar te wijzen, een vrouw in wie ze een dorpsgenote herkende. „Díe vrouw wilde me verraden aan de Interahamwe (de belangrijkste militie van extremistische Hutu’s, red.)”, verklaarde ze even tevoren tijdens haar proces, „dat is ze!” De verdachte houdt bedeesd het hoofd omlaag en ontkent kortweg. „Ik heb haar nooit gezien”. Mkamlizi is jaren geleden verhuisd, weg uit het dorp dat zoveel traumatische herinneringen herbergt.
Nederland is een van de hoofdsponsors van het gacacaproces en fourneerde onder meer radio’s. Rechters kunnen zo via speciale uitzendingen worden geïnformeerd. Het leeuwendeel van het budget gaat op aan trainingen van de gelegenheidsrechters, die rechtstreeks uit de gemeenschap worden geplukt. Het is tegelijk de kracht en de zwakte van gacaca, een Rwandees woord dat refereert aan een open plaats waar geschillen worden beslecht. Een groot verschil tussen de traditionele en de moderne versie zit hem in de strafmaat. Tegenwoordig hebben rechters de bevoegdheid stevige gevangenisstraffen op te leggen.
En die macht kan corrumperen, weten ook mensenrechtenorganisaties Amnesty International en Human Rights Watch. Zij zeggen dat de gacaca’s niet voldoen aan internationale maatstaven. Onafhankelijkheid en transparantie ontbreken. Volgens Human Rights Watch worden de vonnissen door veel Rwandezen gewantrouwd. Veel rechters zouden partijdig zijn. Journalist Eleneus Akanga: „Sommige verdachten kregen hoge straffen opgelegd door ongekwalificeerde en gecompromitteerde rechters. Het voedt de haat van degenen die vinden dat de rechtbanken partijdig zijn”.
Officieel bestaan er in Rwanda geen Hutu’s en Tutsi’s meer. Onderscheid maken tussen beide bevolkingsgroepen is zelfs bij wet verboden. „Bepaalde dingen mogen niet worden gezegd. Is dat iets wat door de bevolking als rechtvaardig wordt gezien?”, vraagt de Middelburgse juriste Barbara Oomen retorisch. „Rwanda is een façadestaat. Op papier loopt alles geweldig – vandaar dat het land favoriet is bij ontwikkelingsorganisaties en donoren – maar als je achter de façade kijkt, zie je veel verdeeldheid en angst”.
Tijdens een gacacaprocedure op een zondagmiddag in de wijk Nyamirambo in de hoofdstad Kigali is het schoollokaal goed gevuld. De ’president’ van het plaatselijke tribunaal is op zoek naar zeven nieuwe rechters. Hij leest de voorwaarden voor. Je moet een goed mens zijn, ten minste 21 jaar oud en kunnen lezen en schrijven. Je mag geen politicus of militair zijn, noch aan de drank, benadrukt de president. „Als u denkt dat u geschikt bent, komt u maar naar voren”. Het loopt niet storm.
Dan begint de voorzitter maar mensen aan te wijzen. Sommigen staan gedwee op en schuifelen naar voren. Na veel geaarzel, weigeringen, plotselinge aanmeldingen en even plotselinge terugtredingen staan er drie kwartier later zeven kersverse kandidaten voor het schoolbord: vijf vrouwen en twee mannen. Een kandidaat kan zelf de eed niet voorlezen maar wordt in weerwil van de voorwaarden toch geaccepteerd. Protest is er niet; er zal niet gestemd worden.
Het slotwoord is aan de president: „Nu zijn jullie rechters!”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.