Henk van Halm is natuurmens, maar vooral ook een verzamelaar van grote en kleine wetenswaardigheden. Hij werd geen bioloog, zoals zijn vader wilde, maar vergaarde desalniettemin een onafzienbare hoeveelheid kennis over de natuur. Over schelpen, bloemen en vogels, maar ook over de luizen die op die vogels leven. Deze week schrijft Van Halm zijn laatste natuurdagboek voor Trouw.
Na meer dan 40 jaar stopt Henk van Halm (72) met zijn natuurrubriek in Trouw. Zo kort en krachtig als zijn bijdragen aan de krant waren, zo was ook zijn e-mail half december: ’Ik was het oorspronkelijk niet van plan, maar ik stop met mijn dagelijkse natuurstukje. Vanaf nieuwjaarsdag stuur ik niets meer.’ Om meteen daarna potentiële opvolgers te noemen.
Zolang als hij zich kan herinneren loopt Van Halm in de natuur en maakt hij aantekeningen van wat hij aantreft. 1945: kluten in een nog droogstaande vijver van het Amsterdamse Bos. 2007: tortelduifjes in zijn tuin in Amstelveen. Zestig dagboekjes heeft hij inmiddels in zijn werkkamer staan. De eerste bruine schriftjes vallen bijna uit elkaar, maar het keurige handschrift is nog goed te lezen. De waarnemingen gaan soms vergezeld van priegelige potloodtekeningen, van kleurige vlinders, pantoffeldiertjes of een doorsneden krokusbol.
De meest recente dagboeken zijn netjes van kaft. „Maar het handschrift is hopeloos”, verontschuldigt Van Halm zich. „Ik kan het zelf nauwelijks lezen.” De unieke verzameling natuurwaarnemingen geeft nauwgezet aan hoe de Nederlandse natuur zich sinds de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld. „Als ik dood ben gaan ze naar de Heimans en Thijsse bibliotheek in Amsterdam.”
De laatste tijd komt Van Halm eigenlijk alleen nog buiten om een boodschap te doen, in een winkelcentrum vlakbij. „Ik loop nog wel eens een rondje met een oude vriend uit de buurt, maar na een kwartier ben ik uitgeput.” Straks ziet hij alleen nog vogels vanachter een raam. Samen met zijn vrouw Willemijn verhuist hij naar een seniorenflat in Amsterdam. „Daar hebben we alleen een Frans balkon. Maar we zitten op de negende verdieping, met uitzicht over de hele stad. Daar zien we ook visarenden langs vliegen, hoor.”
Zelfs zijn eigen tuin stapt hij niet zomaar in. „Dan moet ik weer ander schoeisel aantrekken vanwege de duivenpoep.” Veertig jaar lang was de tuin een belangrijke bron van informatie, nu is het er een woeste troep, zegt Van Halm. „Maar de vogels zijn er dol op.”
Zijn eerste bijdragen in de krant, in de jaren zestig, gingen over die tuin. „Toen ze me vroegen, wilde ik wel even bedenktijd. Elke week zo’n rubriek vullen, ik vroeg me af of ik de onderwerpen daar wel voor kon vinden.” Maar hij beschreef de hele ontwikkeling, inclusief de planten en beestjes. „Later is daar een boek van uitgegeven over wild tuinieren, binnen een jaar waren er twee drukken verschenen.”
Vanaf 1976 verscheen tweewekelijks een aflevering van Dier en Plant, en vanaf 1984 werd dat wekelijks een halve pagina, waarvoor Van Halm de Nederlandse natuur en landgoederen beschreef, maar ook de varens en mossen van de Schotse heide of eekhoorns in Engelse bossen, omdat hij daar toch was op kampeervakantie.
Met de komst van het Trouw-katern De Gids in 2004, keerde hij weer terug naar de kleine, dagelijkse waarnemingen. Voornamelijk uit de polders rond Amstelveen, het Amsterdamse Bos of de Botshol bij Vinkeveen. Of van Texel, zijn favoriete eiland, niet in de laatste plaats omdat het makkelijk met openbaar vervoer te bereiken is. Maar juist op dat eiland ging hij in de zomer van 2006 door zijn rug en ondanks twee operaties blijft het sindsdien aanmodderen met de gezondheid.
Vanuit huis kon Van Halm nog heel veel doen. Hij putte dankbaar uit zijn dagboeken en uit de waarnemingen van de vogelnetwerken in het Gooi, Amsterdam en Utrecht. En op die manier genoot hij net zo goed van de komst van de kraanvogel in het Fochteloërveen, de zeearend in de Kennemerduinen of de vale gieren boven Zeeuws-Vlaanderen. En hij keerde weer terug naar de planten en insecten van zijn eigen tuin. Hij noteerde hoe de jaargetijden veranderen, welke bloemen en planten steeds een beetje eerder bloeien, en welke soorten verdwijnen.
Juist door zijn enorme archief kon hij verbanden leggen, trends signaleren. Maar, zegt Van Halm, het is ondanks de klimaatveranderingen niet per se slechter geworden. Drieënzestig vogelsoorten telde hij het afgelopen jaar en veel daarvan zag hij vroeger nooit. „Heel veel boomkruipertjes en halsbandparkieten, en regelmatig komt een grote bonte specht hier hazelnootjes hakken. En met de huismus valt het in onze tuin mee, omdat we strooien. Wij zijn er achter gekomen dat ze graag muesli eten.”
Als jongen begon Henk van Halm met vogels kijken, gewoon met het blote oog. „Twee van mijn vier zoons waren al geboren voor ik mijn eerste verrekijker kreeg. Maar daardoor bleef het waarschijnlijk beter hangen. Ik besloop die vogels tot ik heel dichtbij was, dan leer je de soorten wel kennen.”
Daarna kwam de fascinatie voor insecten. „Als hbs’er werkte ik in het insectarium van Artis en ik heb de Amsterdamse insectenwerkgroep nog helpen oprichten. Destijds verzamelde je de beestjes, je deed ze in een stikpot, watten en ether erin en deksel erop. Kevers kreeg je zo niet dood, die moest je ook nog een uurtje in de zon zetten. In die tijd was dat heel normaal, daar heb ik ook mijn grote kennis aan te danken, maar later vond ik dat niks meer, maakte ik liever foto’s.” Inmiddels is ook dat een uitgebreid archief geworden, digitaal, op een externe harde schijf, keurig gerubriceerd.
Nog weer later kwamen er bloemen en schelpen bij. Zijn vader wilde dat hij bioloog werd, dat stond goed, Henk had aanleg en dan betekende hij ook nog iets voor de maatschappij. „Maar de hbs was al hopeloos, laat staan een studie.”
Uiteindelijk werd Van Halm consulent voorlichting bij het Instituut voor Natuurbeschermingseducatie (IVN). „Natuureducatie is leuk en het is mooi meegenomen dat je zelf veel buiten mag zijn.” Al irriteerde het hem wel eens dat er complete leken meegingen op excursie. „Mensen die werkelijk niks wisten, die nog moeten vragen of een plant een brandnetel is. De eerste keer antwoordde ik dan nog met ja of nee, maar daarna zei ik: voel zelf maar even.”
In zijn woning is Van Halm, met zijn zachte stem en witte haren, de goedmoedigheid zelve. Maar lezers die via de e-mail een vraag stelden („Dat internet is de uitvinding van de eeuw”) kregen wel eens een stekelig antwoord. „Ja, kom op, soms gaat het echt om onbenullige dingen. Hoe diep plant je tulpen! Als je iets over de inrichting van je tuin wilt weten, dan moet je mij vooral niet hebben. Dat soort vragen stuur ik door naar Julia Voskuil. En aan bestrijding doe ik ook niet. Mensen vragen wel eens: hoe kom ik af van van die papiervisjes? Nou, die eten alleen boeken die tussen 1942 en 1946 zijn gemaakt, omdat er zetmeel in de banden verwerkt is. Ik heb er wel eens een stukje over geschreven, maar verder ga ik niet. Zoals op mijn website staat: Henk leent zich niet voor het verdelgen van planten en dieren.”
Op het overgrote deel van de vragen konden mensen echter een uitgebreid antwoord krijgen. Soms wel erg feitelijk, zelfs encyclopedisch, maar dat was tegelijk de charme, dan werden de details haast poëzie. Zoals bijvoorbeeld het stukje van 9 juni 2006, over eendagsvliegen, of vlieghaften. ’Direct na de paring vallen de mannetjes zieltogend op het water, waar ze door vissen worden opgewacht. Ook de vrouwtjes vallen neer en als ze de aanvallen van vissen overleven, spuien ze stervend hun bevruchte eitjes. In die korte orgie eten de eendagsvliegen niet. Ze zouden het niet eens kunnen, want hun monddelen zijn verkommerd.’
Op 29 juli 2004 schrijft Van Halm over een gierzwaluw die hij eens heeft aangetroffen. In plaats van te schrijven over de vogel, gaat de rubriek over de gierzwaluwluisvlieg in zijn veren. Hoe de luis zich beweegt en hoe die zich met zijn ’stevige klauwen’ aan de veren van zijn gastheer vasthaakt.
„Ach”, zegt Van Halm over dat stukje. „Waarschijnlijk had ik toen gewoon een goede foto van die parasiet. Over gierzaluwen heb ik heus ook veel geschreven. Ik heb er zelf een onder mijn dakgoot gehad. Tot de buurman die kier had dicht gekit.”
Voor een natuurmens is Van Halm opvallend precies, ordelijk en detaillistisch. Maar hij is niet geobsedeerd door een beperkt aantal soorten, zoals sommige kennissen bij de Amsterdamse afdeling van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV), waar hij inmiddels is uitgeroepen tot erelid.
„Er is een groep die zich alleen bezighoudt met graafbijen. Ik snap dat wel, het gaat niet goed met die solitaire bijen en die mensen hopen een tendens te ontdekken. Een andere vriend is tot zijn dood bezig geweest met zweefvliegen, hij beschreef honderden soorten. Ook die verzamelwoede begrijp ik, mensen proberen zo compleet mogelijk te zijn. Maar het moet wel leuk blijven. Zelf ga ik niet zover. Ik laat liever dingen zien die iedereen kan zien, als ze tenminste hun ogen gebruiken. Ook de heel gewone dingen. Als je een dagelijkse rubriek moet vullen is het trouwens ook wel zo handig om heel breed te zijn.”
Van Halm zal het schrijven missen, elke dag even in zijn prachtige werkkamer, die afgezien van een computer en een ergonomisch verantwoorde bureaustoel, veel wegheeft van een museum. Niet alleen staan daar natuurboeken in het gelid en gerubriceerd naar onderwerp, ook dikke encyclopedieën over Afrikaanse stammen, hun rituelen en vooral hun kunst: kralen, maskers, messen, muziekinstrumenten. De wanden zijn bedekt met messen en speren, de vloer met krukjes en rustbankjes voor oude mannen, een vitrine ligt vol met bronzen sieraden. Deze andere grote hobby is ook rond zijn tiende ontstaan, toen Van Halm een boek kreeg over de ’onbeschaafde volken van Afrika’. „Dat heb ik helemaal kapot gelezen.”
Hij is nooit in Afrika geweest, de honderden voorwerpen komen allemaal van kunstveilingen en markten. „Ach”, reageert Van Halm. „Je kunt ook aan archeologie doen zonder dat je ooit een neanderthaler hebt ontmoet.”
Misschien is dat nog wel het vervelendste van ouder worden, dat Van Halm en zijn vrouw moeten verhuizen naar een seniorenflat, die veel kleiner is. Veel bijzondere voorwerpen zijn noodgedwongen verkocht op een veiling.
Af en toe maakt het hem ook wel een beetje kribbig dat hij niet meer zoveel buiten komt, dat veel natuur te ver weg is. „Maar ik zal het toch moeten accepteren. En wat die rubriek betreft: eigenlijk heb ik er niet zo veel zin meer in. Op het ogenblik denk ik: 42 jaar, het is wel genoeg geweest.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.