*

 

Begin een dagboek

Iris Pronk − 29/12/07, 02:26

Mooi voornemen voor 2008: Je begint een dagboek. Maar hoe? Maak een lijstje van je meest gênante momenten, beschrijf je favoriete boerenkoolrecept, of het afscheid van je moeder. En verbrand daarna je dagboek.

Je hebt je man flink uitgekafferd (hij vroeg erom, echt waar). Je hebt met Kerst stug door gesonjabakkerd. Je auto is opengebroken. Je ziet paarse winterkrokussen bloeien in de tuin. En je denkt: dát schrijf ik op in mijn dagboek.

Anne Frank deed het, Bridget Jones ook, net als de onlangs overleden Jan Wolkers. Die noteerde op 1 januari 1976: „Duistere dag. Lage lucht en regen. Half negen op.” En op 3 januari: „Ik weeg op het ogenblik 83 kilo, gebruik twee lomudal per dag tegen de astma en twee enturentabletten tegen het te hoge urinezuurgehalte in mijn bloed.”

Het dagboek is ook 32 jaar later nog springlevend, zo bleek uit het Trouw Schrijfonderzoek 2007. Nederland telt ruim een miljoen actieve schrijvers, en maar liefst 30 procent van hen houdt een dagboek bij. In populariteit wordt het dagboek alleen verslagen door het weblog, zijn publieke online zusje (35 procent). Voor genres als het gedicht, het korte verhaal en de roman hebben hobbyschrijvers beduidend minder interesse.

Wat bezielt de dagboekschrijver? En hoe doe je dat: (bijna) dagelijks je leven verslaan? Trouw hield een kleine enquête onder dagboekauteurs en destilleerde daaruit een cursus dagboekschrijven voor dummies.

Les 1: Maak van je dagboek uitlaatklep, geheugen of therapeut.

Je hebt ’verdrietschrijvers’: mensen die op papier vooral hun verdriet en woede luchten. „Hoe groter het verdriet, hoe meer ik mijn dagboek pak”, aldus een 73-jarige oud-onderwijzeres. En dus beschreef zij niet de geboorte van haar vier kinderen, maar wel de ziekte en dood van één van hen.

Het dagboek heeft nog meer functies, zo bleek uit de enquête. Studente Linda Bertens (18) noemt haar dagboek bijvoorbeeld ’mijn externe geheugen’: „Als ik mijn ervaringen niet opschrijf, dan vergeet ik ze geheid.”

Vastleggen wat vluchtig is, dat wil ook kunstenaar en oud-huisarts Ignace Schretlen (55). Hij vulde de afgelopen twintig jaar al meer dan 1500 dagboekpagina’s. Daarnaast stimuleert het schrijven zijn denkproces: „Ik geloof dat grote ideeën voortkomen uit wat je dagelijks beleeft.”

Nies van Lier (82), dagboekauteur sinds 1946, ziet het schrijven vooral als een ’innerlijke groepsdynamica’: „Ik schrijf omdat ik het ervaar als een noodzakelijke reflectie, terugblik, verdieping.”

Daarmee sluit hij aan bij de visie van de Amerikaanse schrijfdocente Sandy Grason, auteur van ’Haal meer uit je dagboek’ (2007). Die promoot het dagboek vooral als zelftherapie, als „een werktuig om je leven te helen en je dromen zichtbaar te maken”.

Les 2: Noteer witlof met klapstuk, of beschrijf de dood van een vriend.

Er zijn dus redenen genoeg om met een dagboek te beginnen, maar wát schrijf je daar vervolgens in? Wat is belangrijk genoeg om te onthouden, wat wil je echt (voor nu of later) kwijt?

Alles mag, zeggen de dagboekschrijvers. Dat is het mooie van het genre: de schrijver is meteen de enige lezer, hij hoeft zich voor niemand te generen. Ook trivialiteiten zijn oké. Zo noteert Jan Wolkers niet alleen hoeveel hij weegt en welke pillen hij slikt, maar ook wat hij dagelijks kookt: witlof met klapstuk, of boerenkool met casselerrib.

Grote gebeurtenissen zijn natuurlijk óók dagboekstof: de zelfmoordpoging van een vriend, de dood van je moeder, een scheiding of overspel, het weerzien met een oude liefde. Schrijfster Henny de Jong (52) deed in wat zij haar ’verwerkingsdagboek’ noemt onder meer verslag van haar ziekte: zes jaar geleden werd bij haar baarmoederhalskanker geconstateerd.

Les 3: Schrijf niet alleen op dat je het leuk vond in dat hotel.

Schrijf dus over wat je maar wilt, maar doe dat wel zo beeldend mogelijk. Dat is het advies van columniste Hella Kuipers, Zij schrijft op www.trouw.nl/schrijf!. Ooit begon ze met het schrijven van vakantiedagboeken en noteerde daarin dat zij in ’een leuk hotel’ zat, of dat ze zo’n ’leuk stel’ had ontmoet. Maar bij herlezing, vele jaren later, zei dat woordje ’leuk’ haar niet meer zoveel. Ze had liever gelezen dat de man van het echtpaar zo mooi accordeon speelde, en dat zijn roodharige vrouw zo aanstekelijk lachte. Of dat het rafelige tapijt en de verweerde spiegels in de hotellobby een sfeer van vergane glorie uitademden.

Observeer en noteer dus details, gebruik je zintuigen, maar blijf niet steken in de feiten, zegt dagboek-die hard Nies van Lier: „Beschrijf niet alleen waar je geweest bent, wat je gegeten hebt, etcetera, maar ga na wat je raakt, aanspreekt, ontroert. Zie of er een beeld, woord of dier bij je opkomt.” Noteer, zo zou je zijn advies kunnen samenvatten, dus óók hoe je je voelde in die hotellobby met die versleten tapijten, of op de dag dat er witlof met klapstuk op het menu stond.

Les 4: Gooi je dagboek op tijd in de openhaard.

Dagboeken zijn geheim, er is niemand die ze leest. Dat maakt dit genre uniek, dat onderscheidt het ook van het exhibitionistische weblog. Omdat het publiek ontbreekt, kan de dagboekschrijver met zijn billen bloot. En om die eerlijkheid draait het, benadrukt Ignace Schretlen: „Schrijf nooit met het oog op publicatie, pleeg ook geen zelfcensuur.”

Nu zijn er natuurlijk dagboeken (doorgaans van beroemdheden) die later toch gepubliceerd worden. Maar de meeste mensen lopen alleen het risico dat huisgenoten mee gaan lezen.

Ank Zilverberk (58) houdt daar rekening mee, al hoeft ze haar man niet te vrezen omdat hij „a: betrouwbaar is in dit opzicht en b: niet bijster geïnteresseerd is in wat ik opschrijf”.

Maar kunnen kinderen hun nieuwsgierigheid bedwingen, als hun moeder overlijdt voordat ze haar dagboeken in het haardvuur heeft gegooid? „Er zit niets anders op”, concludeert Zilverberk: „Wat je geheim wilt houden, moet je aan niemand vertellen en ook niet op schrift stellen.”

mailIcon print |