*

 

Op de hoogvlakte van het bestaan

Godert van Colmjon − 29/12/07, 02:26

Na zijn vervroegde uittreding belandde Godert van Colmjon met een harde plof ’op de afvalberg van de samenleving’. „Nog steeds kijk ik beduusd om me heen. Is dit het eindbod van mijn leven? Word ik geacht dit met beide handen aan te nemen? Ik aarzel, vraag bedenktijd.”

Sinds 1972 biedt mijn boekenkast onderdak aan ’Levenstijdperken van de man’, het onvolprezen essay van psychiater prof. dr. H.C. Rümke uit 1938. Van de zes tijdperken die hij beschrijft had ik het tweede, de adolescentia, net doorlopen toen ik het voor de eerste keer las. Ik was 29. Nadien heb ik het boekje nog maar zelden ingekeken. Maar in mijn geheugen is het blijven ronddwarrelen als iets kostbaars dat je bij je wilt houden, zonder te weten of je er ooit nog iets mee zult doen.

Eén tijdperk in het bijzonder is me bijgebleven om zijn troostrijk en begerenswaardig uitzicht. Inmiddels zijn er 35 jaar vervlogen en ben ik behouden aangekomen in dat mooie verschiet.

Is er nog wat van over?

Sinds enkele jaren beweeg ik mij over de grillige uitlopers van de virilitas – het vierde en rijkste levenstijdperk, aldus Rümke – en het sereen glooiende plateau van het senectus, waarvoor ik volgens hem nog te jong ben. Ik moet me dat niet aantrekken, want naar het oordeel van de door Rümke aangehaalde Duitse wetenschapsauteur en schrijver Hans Künkel mag ik me al onbeperkt ophouden in dit hooggelegen oord. Het is de ouderdom voorafgaand aan het afsterven, die mij de mogelijkheid schenkt van bevrijdende onthechting en verheven synthese.

Rümke schilderde zijn psychologische ontwikkelingspanorama in de late jaren veertig van de vorige eeuw. Binnen de vergeelde randen van mijn exemplaar, de vierde druk uit 1951, zie je in één oogopslag de diepe sporen die de veranderde tijden door dit levenslandschap hebben getrokken. Hoofdbakens zoals huwelijk en gezin zijn verschoven, de heteroseksuele relatie heeft gezelschap gekregen van de homoseksuele, terwijl de psychosociale crisis waarin de man door de maatschappelijke verzelfstandiging van de vrouw is gestort nog voorspeld moest worden.

De grootste verandering geldt ongetwijfeld de komst van de televisie en de implantatie van de microchip in ons dagelijks bestaan. De digitale verdichting van informatie heeft het leven onvoorstelbaar doen versnellen – wat ons de moderne bestaansparadox heeft bezorgd van een biologische levensverlenging, die in de psyche wordt ervaren als steeds korter en ontoereikender.

Rümke geeft de lezer alle ruimte om met zijn waarnemingen en analyses te dissoneren. Voor hem hoef je niet letterlijk met zijn levenstijdperken samen te vallen – wat ik naar mijn gevoel nooit gedaan heb en behalve als lijk waarschijnlijk ook niet meer zal doen. Naast het cliché van de biologische levenscurve erkent Rümke ruiterlijk de oneindige complexiteit en individuele verscheidenheid van de psychologische kromme. Zelfs het cyclische perspectief van laatstgenoemde boog – Nietzsches ’ewige Wiederkehr’, de idee dat de materiële dingen in een verre, verre toekomst terug zullen keren – vertoont grove haperingen en oneffenheden. Maar bij al deze vragen, twijfels en onzekerheden, die evenzeer mijn eigen biografie tekenen, is mijn herinnering trouw gebleven aan de indruk dat Rümkes tekst een aantal algemeen menselijke eigenschappen aanroert waaraan ik, met de deemoedige wijsheid van schade en schande, mijn persoonlijke bevindingen waag te spiegelen.

In Rümkes panorama bevind ik me op de hoogvlakte van het bestaan. In zijn woorden beschikt mijn bewustzijn over alle dimensies die zich over het leven uitstrekken: de gelukkige en vreugdevolle, de ongelukkige en verdrietige. Hij prijst mijn geslaagde overgang van een biologisch geworteld vitalisme naar een meer beschouwelijk niveau.

Blij mag ik zijn met de producten die de bestemming of de zin van mijn leven herbergen en die ik mag proeven als de zoete vruchten daarvan. Mijn eigen bestaan bezet niet langer het centrum van mijn denken, dat ruimte heeft gekregen voor de genereuze behoefte deze producten belangeloos te delen met anderen. Tenslotte heb ik de bedrieglijke aspecten van mijn ideale zelfbeeld herkend en tijdig afgezworen; de kansen die de wereld en de psyche mij boden, ten volle benut.

Maar net zoals de tijden, zijn ook de voorwaarden waaronder ik vrij en onbekommerd van dit lucide uitzicht zou moeten kunnen genieten grondig veranderd. Bij de ongunstige kwalificaties die de ouderdom traditioneel vergezellen, heeft zich een nieuw belastend stigma gevoegd: gebruik te maken van een ouderenregeling die, zo heeft de politiek becijferd, een dure vergissing blijkt te zijn. Ik leef onder het toenemende verwijt van een onbetaalbaar geworden oudedagsvoorziening.

Ouderen worden voortdurend ouder. Dit als vaststaand aangenomen feit wordt niet alleen door de statistiek tegengesproken. Een glimp van zijn betrekkelijkheid kunnen we al opvangen in een oeroude bijbeltekst waar psalm 90 zegt: „Zeventig jaar duren onze dagen, of tachtig als we sterk zijn.” Maar de verstoting uit de gemeenschap der levenden begint op steeds jongere leeftijd. In de economisch gemotiveerde verkorting van het beroepsleven wordt het verlengde uitstel van de biologische dood langzamerhand opgevat als een ware plaag. Men heeft het met mij gehad.

Na mijn vervroegde uittreding ben ik met een harde plof op de afvalberg van de samenleving beland, en nog steeds kijk ik beduusd om me heen. Ben ik hier het aangroeisel van? Is dit het eindbod van mijn leven en word ik, voor mijn gevoel tot meer in staat dan ooit, geacht dit bod met beide handen aan te nemen? Ik aarzel, vraag bedenktijd.

Wat mij is ontnomen, van de ene dag op de andere, is een ’functionele’ betekenis. Maatschappelijk en sociaal is mijn leven tussen aanhalingstekens komen te staan. Ik ’was’, dus ik ’ben’ niet meer. Waar mijn aanwezigheid tot voor kort een vanzelfsprekendheid was, ontmoet ik nu een houding die uit is op mijn eliminatie: de verbanning naar de buitencategorie van weggesaneerden, weggerationaliseerden en overtolligverklaarden. De vreugde van mijn vrijheid, ontslagen te zijn van de verplichtingen en beperkingen van een vast dienstverband, ook al viel dat onder de bevoorrechte condities van een vrij beroep, probeert men in te temperen met een regen van verwijten aan mijn adres. Ik ben een profiteur. Ik geniet van een pensioenregeling waar ik krachtens mijn leeftijd geen recht op heb. Ik teer op de zak van werkende jongeren. Mijn (bescheiden) materiële voorzieningen, opgebouwd door een jarenlange premieafdracht, zijn onderwerp geworden van een brede discussie. Mijn legitimiteit wordt soortelijk betwist en is bij kabinetsbesluit al gedeeltelijk opgeheven.

Volgens recentelijk gepubliceerde levensverwachtingen ben ik nog ten minste twintig jaar van mijn einde verwijderd, maar de levenden trekken zich nu al van mij terug. In een televisiereportage over de onrust in een straat sprak een voltijdjunk van achter in de veertig over oudere bewoners als ’opgewarmde doden’. En bij de commerciële omroep heerst de stelregel dat wie zich als commerciële zender richt op 50-plussers, ’klinisch dood’ is.

Behalve door het lezen van Rümke was het verschijnsel van de ouderdom mij natuurlijk ook op andere manieren bekend. Ik heb, en ik beperk me tot het masculiene universum, twee grootvaders, een vader en een schoonvader gehad die het senectus gehaald hebben. Nu ik zelf onder zijn algemene bepalingen val, beleef ik het toch anders. Onwennig nog. Bedreigend hier en daar. Maar ook van een wonderlijke vertrouwdheid.

Mijn generatie groeide nog op met een overzichtelijk repertoire van uiterlijkheden waaraan iedere oudere zich redelijk hield. Aan de hand van kleding, gedrag, bewegingstempo en hoofdhaar lieten de leeftijdscategorieën zich eenvoudig herkennen als jongeman, vader of grootvader. Sinds het midden van de jaren zestig heeft dit leeftijdsbeeld flink aan betrouwbaarheid ingeboet. Tegenwoordig draagt de dertiger nagenoeg dezelfde kleren als de zestiger, terwijl kaalhoofdigheid zich van geen enkele leeftijd meer iets schijnt aan te trekken. Ja, steeds minder zestigers schrikken er voor terug de natuurlijke averij van hun jaren te verdoezelen met oorring, geverfd haar en tatoeage.

De actuele stroom van antagonieën, botsende perspectieven en blinde vooroordelen, die jong en oud verdeeld houdt, vindt zijn oorsprong in de geboorte van het burgerlijk-romantisch bewustzijn en zal zolang er mensen zijn ook niet meer opdrogen. Vanaf Goethes ’Die Leiden des jungen Werthers’ zijn poëzie en literatuur ervan vervuld. Helemaal onvoorbereid op mijn positiewisseling was ik dus niet. De onaangenaamste confrontaties laten zich voelen in de omgangsvormen en het vocabulaire waarmee ik in het publieke domein op mijn veranderde status word gedrukt. Niet mijn spiegelbeeld in de beslotenheid van de badkamer – ik draag de littekens van mijn leeftijd opgewekt en zonder schroom – maar de kledingverkoper en de kapster vertellen me dat ik op leeftijd ben gekomen. Voor de modes van de dag, en dus voor hun inkomen, ben ik van geen betekenis meer. Dat zeggen ze niet met zoveel woorden, ze maken dat kenbaar in hun ongevraagde adviezen en aanbevelingen. De broeken, truien of overhemden die de kledingverkoper tevoorschijn trekt nog voordat ik een mond heb opengedaan, verwijzen regelrecht naar het klantenbestand van het geprivatiseerde bejaardenhuis. De kapster vraagt niet meer hoe ik het wil hebben, maar hoeveel er af moet (’Ook de wenkbrauwen?’).

Ook als televisiekijker raak ik meer en meer ontheemd. Omroep Max oriënteert zich eenzijdig op de klinisch doodverklaarde kijker. Met zijn nostalgie van trivia werkt dit goedbedoelde alternatief niet minder stigmatiserend dan de commerciële vijanden van de hogere leeftijden, die in het mediapark nagenoeg volledig de dienst uitmaken. En als krantenlezer word ik vrijwel dagelijks in deze of gene vaste rubriek getrakteerd op goedkope sneren en gemeenplaatsen over mijn leeftijdsgroep, de kranten die de hoogste kwaliteit zeggen te dragen daarbij niet uitgezonderd.

Raakt het me? Kan het mij wat schelen en zijn er geen boeiender vraagstukken waaraan ik mijn energie kan wijden? Tot aan mijn vervroegd pensioen heeft mijn geest het altijd zonder een dwingend besef van leeftijd gedaan. Dat mijn denken de fysiologische aftakeling bij het klimmen der jaren op de voet zou volgen, ik heb daar nooit zo bij stilgestaan. Dat aan de jaarringen van je gestel de modificaties van je denken zouden zijn af te lezen, daaraan heb ik altijd getwijfeld. Je fysieke vermogens nemen af, je energievoorraad is aan zijn reserves toe, ik zal dat niet bestrijden. In ieder geval doet mijn lichaam dat niet. Maar aanwijzingen dat een geest van veertig wezenlijk verschilt van die van vijftig, dertig of zeventig schijnen mij grotendeels verbonden met een maatschappelijk carrièreperspectief.

Nog geen moment heb ik concreet ervaren dat mijn denken spoort met mijn feitelijke leeftijd. Misschien moet ik me daar zorgen over maken en is het onderdeel van wat Rümke de grote ontkenning noemt: het willen ontduiken van de onverbiddelijke wetten der natuur, met de deerniswekkende fopspeen van de botoxvulling, ooglift en andere chirurgische identiteitsvervalsingen als geavanceerdste drogmiddel.

Niets lijkt schadelijker voor je geestesgestel dan ongehoorzaam te zijn aan de grenzen die een levenstijdperk stelt, schrijft Rümke. Wat een wanorde moet er onder mijn schedeldak dan wel niet heersen! Aldus beschouwd leidt mijn geest een wetteloos bestaan en tart hij elke regel. Tegenover leeftijdgenoten heb ik altijd ouder willen zijn. En in gezelschap van ouderen voel ik me al snel een nakomertje. Wel geloof ik dat een persoonlijke visie, de ontwikkeling ervan en vervolgens haar selectieve reductie (ik zet nog regelmatig Beethoven, Brahms, Schumann en Schönberg op – Mozart en Schubert nog maar zelden) samenhangt met het ouder worden. Dat er een moment aanbreekt waarop het gewicht van herinneringen en inzichten zwaarder begint te wegen dan het onbegrensde toekomstperspectief.

Een intrigerend aspect van deze verschijnselen is de vraag waarom die zouden moeten leiden tot een onbegaanbaar heden. Dat brengt me bij een levenshouding die onder mijn lotgenoten domineert. (Ik heb een paar georganiseerde busreizen met ze gemaakt, en in het winkelcentrum waar ik dagelijks boodschappen doe, wemelt het ervan.) Mij treft hoe ze zelf aan hun maatschappelijke en sociale marginalisering meewerken door een verbazend soepele verinnerlijking van de stereotypen die hen buitenspel zetten.

Het confronterende vind ik niet dat oudere mensen geneigd zijn zich over te geven aan de generaliseringen die hun worden opgedrongen, maar dat het hoogopgeleide, eens zo maatschappijkritische en activistische deel van mijn leeftijdgenoten dat doet.

Zeg maar de zich bevrijd en alternatief wanende generatie in wier oren ’Revolution One’ van The Beatles nog naklinkt en daarvan vooral de regel: „You tell me it’s the institution, well, you know, you better free your mind instead.” Het was het lied waarmee de verwende studenten van de Parijse meirevolte en de rode brigadisten in de straten van Rome op hun nummer werden gezet, maar voor die boodschap kennelijk oostindisch doof bleven. Tenslotte namen ze liever hun toevlucht tot de autistische randcultuur van bloemen in je haar en de reservatenmystiek van Woodstock, die de filosoof en cultuurcriticus Maarten Doorman (in zijn boek ’De romantische orde’) in alle ernst waardeert als een positieve voortzetting van de Romantiek. En niet als het symptoom van infantilisering en terugval dat ik er, ten tijde van Woodstock werkzaam als muziekcriticus, in zag.

Ik heb het over mijn klasse: de inmiddels gepensioneerde, gewezen ruggengraat van de samenleving, die eerder beloofde het allemaal heel anders te gaan doen.

Al ver voor mijn verwelkoming in hun gelederen stoorde me het eenzijdig verheerlijken van een verleden dat exclusief het hunne zou zijn en dat ze nog slechts te berde brengen in een perspectief van aantasting en verlies. Daar zal ik niet aan meedoen, besloot ik tijdens mijn adolescentia al. En ook nu kost me dat nog geen enkele moeite.

Smaakte een ei vroeger werkelijk zoveel beter dan nu? Al was het waar, wat mag dan de diepere grond zijn voor het grimmige triomfalisme waarmee ik daar veelvuldig over hoor klagen – een klacht die zich moeiteloos uitbreidt naar het vermeende smaakverlies van het worteltje, de tomaat, de kropsla en het sudderlapje? Wat willen ze er toch mee zeggen? Dat de wereld hun ei niet meer is en dat dát de beslissende norm is geworden voor hun kwaliteit van leven?

De gedweeheid waarmee ze zich elke ochtend in het uniform van hun vrijstelling hijsen (smart en casual) en vol argwaan uitzwermen over de boze buitenruimte die al gedeeltelijk is gekoloniseerd door de gedrogeerde bedelgildes der tand- en daklozen en hun beoogde opvolgers, de hangjongeren. Ze mopperen over het onwellevend gedrag van deze groepen, waar hun eigen manieren amper nog als voorbeeld kunnen dienen, en treuren over de vervlogen beloften van hun kinderjaren, toen volgens het dictaat van hun herinnering alles zoveel beter was. Ontevreden zijn ze, over alles, omdat het genieten en zich verwonderen wordt overspoeld door gevoelens van verongelijktheid en betweterij. Onverschillig kennen hun persoonlijke ervaringen nog maar één gewicht: het allergrootste.

Eerder dan met een open blik het ongeziene tegemoet te gaan en hun kennis op te frissen, bedrijven ze met hun reizen en uitstapjes een vorm van geheugentoerisme, waarvoor ze de benodigde energie lijken te putten uit hun verbittering over de verliezen die ze geleden hebben. En de verliezen die ze nog te wachten staan. Dát alles waarvoor ze geleefd hebben naar de verdommenis gaat, vormt het brandpunt van hun laatste overtuiging.

„Scheepgegaan naar het niet”, schreef Jean-Paul Sartre.

Nee, erg inspirerend is het bij elkaar genomen niet zoals de uitgebluste carrièristen van gisteren vandaag de kroon van een goed pensioen dragen. Een van de empirische lessen die zowel het leven als de geschiedenis mij hebben geleerd, is dat de attractie van het banale vele malen sterker is dan van welk emancipatorisch beschavingsideaal dan ook. En dat je, wil je niet vervallen tot barbarij, daarvoor voortdurend moet oppassen. Ik had verwacht dat ouderen, verlost van de urgenties van loopbaan, gezin en inkomen, dáár nog eens protestliederen tegen zouden aanheffen. Bijvoorbeeld tegen de vercommercialisering van zo ongeveer alle aspecten van het leven, die zoetjesaan totalitaire trekjes begint aan te nemen, en waarvan ook zij het kwetsbare, maar allerminst weerloze doelwit vormen. Maar ik vang er geen noot van op.

Als ik kritiek hoor, en ik hoor blijkbaar niet anders, dan is zij gericht op louter materiële zaken. Ik moet me vooral niet verbeelden dat ik, en ik kijk weer rechtstreeks naar Rümkes panorama, een ouder iemand een plezier doe met een inhoudelijke gedachtenwisseling over de prachtige kansen die de ouderdom biedt. Plaats te nemen op het vliegende tapijt van de onbeperkte vrijheid en het levenslandschap dat onder je door glijdt te bezien met de eeuw die je in je draagt. Het is wat Rümke – die behalve psychiater ook dichter en estheet was – karakteriseert als het uitstijgen boven jezelf.

Een andere gift van het ’uit functie’ zijn, is dat je wordt opgenomen in het grote verband van de geschiedenis en de mensen die haar bevolken. In het zicht van het senectus verliezen ze hun abstractie en komen bijna tastbaar dichterbij. Plotseling ervaar je het verleden niet langer als een autoritaire leermeester of een anonieme schuldeiser, als eeuwig tegenbewijs en dooddoener, maar als een vertrouwde die zijn leven met je deelt. Zo kan ik bij het lezen over de wederwaardigheden van soldaten in de Eerste Wereldoorlog overmeesterd raken door het verlangen me bij hen in de loopgraven te voegen. Eenmaal de ontzetting van de onmiddellijke beleving voorbij en genesteld in het comfort van de historische distantie, worden de uitersten – ook de gruwelijkste – plaatsbaar en raak ik doordrongen van het ontroerende inzicht dat de dingen je pas vertrouwd raken als ze je zo ver zijn gepasseerd dat je ze in de rug kunt kijken.

In plaats van deze wonderlijke vertrouwdheid te beleven als een rijkdom en als bouwstof voor verdere uitbreiding en ontwikkeling, geeft ze bij veel van mijn generatiegenoten voeding aan de verlammende reflex van het allemaal al eens gezien hebben. Geen humus voor een herfstkleurige nabloei, maar een betongrijs blok aan het been.

Het tekent hun cynisme om elke opwelling van optimisme neer te slaan met historische tegenspraak. Met hun overgave aan wat niet meer ongedaan gemaakt kan worden, zakken ze weg in een kwijnende geest die hun nageslacht zijn rechten, zijn hoop en zijn verwachtingen ontzegt. Het zijn de letselschadeadvocaten van de geschiedenis en de wraakgodinnen van het slachtofferdom, permanent in de weer met het vorderen van compensatie voor een nooit meer te vereffenen verleden.

Zo gezien vormen niet de eeuwig verdorven jeugd en de veranderende omstandigheden, maar de ouderen zelf de ergste vijand van de ouderen.

Rümke schenkt naar verhouding weinig aandacht aan de ideale uitkomst van zijn ontwikkelingsschema: de man op de hoogvlakte van zijn bestaan. Nauwelijks vijf bladzijden. En dan nog en passant. De alinea’s waarin ik zijn zegeningen parafraseer, gaan verder dan wat hij daar zelf over zegt. Rümke zou ook geen psychiater zijn geweest als in zijn panorama niet het zwaartepunt was komen te liggen op de psychische problemen en obstakels waarmee de lange weg naar het senectus is geplaveid. Maar wat tijdens mijn eerste lezing uit die bescheiden hoeveelheid positieve uitersten oplichtte, was een gerijpt, kritisch en soeverein subject, wiens levenservaring en zelfinzicht jongeren veel narigheid zouden kunnen besparen.

In zijn volle glorie kun je hem ontmoeten in ’Mit der Reife wird man immer jünger’, de autobiografische beschouwingen van Herman Hesse over de oude dag, waarin de auteur bijna woordelijk samenvalt met Rümkes ultieme hoogvlaktebewoner (waarbij ik niet onvermeld wil laten dat ik Hesse ook in zijn jonge jaren al erg ouwelijk vond, en in zijn liefde voor de natuur al te biologisch-dynamisch). Als ik dat vergelijk met mijn recente waarnemingen, dan ben ik hem in mijn omgeving nog niet tegenkomen. Wat ik voornamelijk zie zijn ouderen die alle innerlijke misère met zich meezeulen waarvoor Rümke hen heeft willen behoeden en die elke betrokkenheid met de wereld en het leven buiten zichzelf zijn kwijtgeraakt.

Mij schijnt dat ze halverwege de klim zijn blijven steken en elkaar gevonden hebben in een eindeloze uitwisseling van fysieke ongemakken, ziektegeschiedenissen en falende ingrepen. Alsof ze er trots op zijn en er een status aan ontlenen die ze tijdens hun werkzame leven niet hebben kunnen verwerven. Je moet al ten minste een dotterbehandeling hebben ondergaan, een hartinfarct hebben overleefd en je met orthopedische hulpstukken voortbewegen, wil je mogen meepraten. Omdat ze het lezen van een boek hebben verleerd en mogelijk aan zelfreflectie nooit zijn toegekomen, dringt zich in de fysieke confrontatie met hun sterfelijkheid de suggestie van een dieper inzicht aan hen op. Een hogere kennis. En een bestaansgrond waarop alleen zij aanspraak kunnen maken. Eindelijk het voorrecht van een exclusieve ervaring: de dood in de ogen te hebben gezien en weet te hebben van gene zijde. Geen pauze, geen aanknopingspunt hoe nietig ook, blijft ongebruikt om er in te springen met een medische ervaring of andere sensatie uit het voorgeborchte van het niets. In de naderende dood vinden ze een laatste rechtvaardiging: het ontologische geheim van hun aanwezigheid. En in zijn onrechtvaardigheid een chantagemiddel bij het opeisen van aandacht. Ze bijten zich er agressief in vast als een hond in een vette kluif.

Dit alles zonder enige hartstocht, zonder het geringste enthousiasme. Ze preken de passie van hun lijden met de strenge onthouding van de geestdrift.

Voor de dood – in elke oudedagsconversatie hét centrale thema – ben ik sowieso geen erg mededeelzame gesprekspartner. Hij zegt me niets. Van mijn eigen levende geschiedenis kan mijn dood geen deel uitmaken. En voor mijn stoffelijk overschot is hij helemaal van geen betekenis. Nog niet één keer heb ik gedroomd van mijn eigen begrafenis. Alles in mij verzet zich tegen de absurditeit van de dood, die kille majesteit aan de overzijde van ons bewustzijn. Voor mijn gehechtheid aan het leven kreeg ik de schranderste en gloedvolste argumenten al vroeg aangereikt door Albert Camus, en door de zwaarmoedige Hölderlin het levensmotto van diens stralendste dichtregel: geboren te zijn voor een heldere dag.

Anders dan Rümke, die in het doodgaan de dimensie van een levensplan ziet en in de lijn van een christelijke lijdensweg het afsluiten als een bekroning, schaar ik me aan de zijde van zijn collega Dolfein. Die vond dat de dood niet met het leven gegeven is. Voor mij houdt de eeuwige heerschappij van het niets geen enkele belofte in. De dood is de maximale ontzegging. Als ik al een uitverkorene ben, dan van het leven. De gevreesde worsteling tegen mijn fysieke ondergang, pijnlijk kenmerk van het praesenium, een somber getinte overgangsfase van de virilitas naar het senectus, heb ik bij mijn weten niet hoeven leveren. Dat stadium ben ik ongeschonden doorgekomen. Tenzij mijn ontwikkeling als man zodanig achterloopt bij de gewenste opeenvolging van zijn levenstijdperken dat voor mij die worsteling nog moet aanbreken.

Ik houd het erop een klas te hebben overgeslagen.

Bestaat hij eigenlijk wel, die verheven oude man op Rümkes hoogvlakte en wordt hier niet de ideale vader voorgesteld naar wie we levenslang op zoek zijn, terwijl we hem in de driftmatige begeerten en masculiene machtsdromen van eerdere levenstijdperken allang hebben vermoord? In ieder geval moet ik hem ergens onderweg zijn kwijtgeraakt. Bij mijn hernieuwde kennismaking lijkt hij me te veel op een kloostermonnik en te weinig op een mens van vlees en bloed. En zonder vrouw zal het op die hoogte erg koud zijn, vrees ik.

Godert van Colmjon (1943) is journalist en schrijver.’Levenstijdperken van de man’ van H.C.Rümke is alleen antiquarisch verkrijgbaar.

mailIcon print |