*

 

Ideologische franje

Gerrit Manenschijn − 22/09/07, 02:27

In een moderne, open en vrije samenleving als de onze staat het iedereen vrij er een eigenzinnige privémoraal op na te houden, schrijft ethicus Gerrit Manenschijn. „Je mag best de Gay Parade een beetje decadent vinden. Maar je mag geen homo’s beledigen of in elkaar slaan. Dat mag je trouwens hetero’s ook niet.”

Onlangs was ik getuige van een voorval. Een automobilist reed met onverminderde snelheid op een voetgangersoversteekplaats af die volgens de wegenverkeerswet geen zebrapad is, maar er wel een beetje op lijkt zodat veel mensen denken dat ze hier veilig kunnen oversteken. Dat is niet het geval. Auto’s hebben hier voorrang op voetgangers, wat ook is aangegeven, maar op een volstrekt onduidelijke manier.

De meeste automobilisten houden daar rekening mee en geven vriendelijk vrije doorgang, maar er zijn er ook die verbeten doorrijden, gebruikmakend van hun recht op voorrang. Zo ook de automobilist in kwestie. Oudere mensen die net wilden oversteken, weken verschrikt terug en kregen een opgestoken middelvinger te zien. Ik hoorde iemand roepen: „Normen en waarden, hij heeft er lak aan!”

Hufterig verkeersgedrag, lompe omgangsvormen, voordringen in treinen, trams en winkels, in het openbaar vervoer niet opstaan voor mensen die gebrekkig ter been zijn, vuil laten rondslingeren – het zijn dit soort zaken waarmee doorgaans het ontbreken van normen en waarden in verband wordt gebracht. Met alles wat riekt naar onfatsoen en gebrek aan beschaving.

Hieraan valt veel te verbeteren, maar dat is niet alles en ook niet het voornaamste.

Wat dan wél? Dat je de discussie over normen en waarden in verband brengt met moraal. En dan niet met persoonlijke opvattingen over moraal, maar met algemene.

In de preambule van de Europese concept-Grondwet worden de volgende waarden van de Europese lidstaten opgesomd: menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat, eerbiediging van mensenrechten, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, gelijkheid van mannen en vrouwen. Daar wordt aan toegevoegd dat die geïnspireerd zijn door de „culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa”. Dat zijn inderdaad geen fatsoensnormen, maar algemene waarden. Zijn ze typisch Europees? Absoluut niet. Andere culturen kennen ze ook.

En er is meer. In de Nederlandse Grondwet is niets te vinden dat verwijst naar de ’culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa’. Ook niets dat verwijst naar de Tien Geboden, de Bergrede of humanistische waarden. Zelfs de scheiding van kerk en staat wordt niet genoemd, hoe fundamenteel die ook is voor ons politieke bestel en de democratische rechtsstaat. Waarom moet die trits van Europese tradities en de daarmee verbonden Europese waarden dan wel opgenomen worden in een Europees grondwettelijk verdrag? De noodzaak ontgaat mij.

Nog steeds is het belangrijkste niet gezegd. Dat is dat in een discussie over normen en waarden nooit over belangen wordt gesproken, alsof dat onfatsoenlijk zou zijn. Terwijl in de eenwording van Europa, de integratie van nieuwkomers, de eventuele toetreding van Turkije en de ingrijpende herschikking van mondiale economische en politieke macht (de enorme overvloed aan Aziatisch kapitaal, de veroveringstocht van Rusland op de internationale energiemarkt) belangen beslissend zijn en normen en waarden niet meer dan ideologische franje. Met belangen bedoel ik economische belangen, tot uitdrukking gebracht in het begrip ’economische waarde’. Maar de naam is minder belangrijk dan de zaak.

Concreet: wat brengt de Europese lidstaten echt bijeen? De euro, die op de valutamarkten aan een opmars bezig is. Wat is de belangrijkste voorwaarde voor nieuwe lidstaten om mee te mogen doen met de euro? Dat ze de markteconomie aanvaarden, de overheidsfinanciën op orde brengen en de inflatie krachtig onder de duim houden. Wat heeft de gesloten Aziatische culturen van Japan, Zuid-Korea en China definitief opengebroken? Niet de ideologische waarden van de westerse beschaving, maar haar superieure technologie en economie.

Meedoen met technologische en economische innovatie leidt niet noodzakelijk, maar wel vaak tot meer openheid, meer democratie en meer gelijkheid. Dat de westerse markteconomie ook grote bezwaren heeft, ontgaat mij niet. Maar uitsluitend aandacht hebben voor de negatieve aspecten is mij te eenzijdig.

Het is mijn stellige overtuiging dat de factoren die Turkije tot een modern land maken – de seculiere staat, technologische innovatie en economische vooruitgang – meer bijdragen aan de modernisering van de islam dan aanpassing aan vermeende Europese waarden. Gemeenschappelijke waarden zijn niet helemaal onbelangrijk, maar als sociaal bindmiddel halen ze het niet bij gemeenschappelijke belangen.

Europa heeft bijvoorbeeld belang bij een constante energievoorziening, want die is noodzakelijk voor het op peil houden van onze welvaart met zijn royale sociale voorzieningen. Dat betekent dat Europa zich geen conflict kan veroorloven met giganten in energielevering als Rusland en de olielanden van het Midden-Oosten. Voor het vermijden van dat conflict is overeenstemming in normen en waarden niet nodig.

Dat geldt voor internationale verhoudingen, voor nationale ligt het iets ingewikkelder. Dan is een economische aanpassing belangrijk (vakbekwaamheid, arbeidsethos, geschiktheid om toe te treden tot de Nederlandse arbeidsmarkt), maar niet genoeg.

Er moet ook aanpassing komen aan ons op democratische leest geschoeid staats- en rechtsbestel. Dat is heel iets anders dan aanpassing aan private opvattingen over normen en waarden. Om dat te preciseren maak ik onderscheid tussen publieke moraal en private moraal.

In een moderne, open samenleving hebben we een diversiteit aan private moraal. Onze opvattingen zijn allemaal verschillend, maar voor een deel overlappen ze elkaar. In dat overlappende deel vindt de publieke moraal haar plaats. Iedereen is tegen moord, bedrog, diefstal en discriminatie, maar niet iedereen is voor euthanasie, abortus of het homohuwelijk. Over die zaken hoeven we het niet eens te worden, als we ze maar niet aan anderen opleggen. Op dit punt behoren we anderen dezelfde vrijheid te gunnen die we voor onszelf opeisen. Je mag best een Gay Parade een beetje decadent vinden, maar je mag geen homo’s beledigen of in elkaar slaan. Dat mag je trouwens hetero’s ook niet. Want je mag mensen niet beledigen of in elkaar slaan.

Mijn conclusie: we hoeven het alleen maar eens te worden over wat tot de publieke moraal behoort. Iedereen is vrij er een eigen moraal op na te houden, maar die moet wel een private moraal blijven. Die vrijheid is een democratisch grondrecht. Dat grondrecht is minstens zo belangrijk als de meerderheidsregel. Uit de bescherming van de rechten van minderheden kun je aflezen of een staat (of partij) werkelijk democratisch is. De nazi’s kwamen op democratische wijze aan de macht, maar het eerste wat ze deden was de rechten van minderheden (Joden, homo’s) om zeep helpen. In de huidige discussie over democratie hoor ik te veel het geluid dat democratie bestaat in een strikte toepassing van de meerderheidsregel, terwijl dat in werkelijkheid niet meer is dan een onderdeel van de democratie en nog niet eens het belangrijkste. Veel belangrijker is het opkomen voor de rechten van minderheden.

Voor de praktijk betekent dit dat je de integratie moet beperken tot de acceptatie van Grondwet, wet- en regelgeving, want daarin ligt onze publieke moraal verankerd, en dat er voor de rest vrijheid van geloof, moraal en levenspraktijk moet zijn (ieders private moraal). In een open samenleving als de onze kan de overheid beter geen zedenmeester zijn. Liever houdt ze zich bezig met wet- en regelgeving. Daar heeft ze de handen vol aan.

Prof. dr. Gerrit Manenschijn is theoloog en emeritus hoogleraar ethiek.

mailIcon print |