*

 

’Criminelen moeten hulp wel toelaten’

Emiel Hakkenes − 07/02/08, 02:26

Een voortreffelijk leven komt dichterbij als wij ons oefenen in deugden. Reclasseringswerker Fatimah Ghabri probeert haar cliënten steeds minder ontvankelijk te maken voor crimineel gedrag. „Ik probeer mij oprecht voor een dader open te stellen.”

In de acht jaar dat ze nu voor Reclassering Nederland werkt, zegt Fatima Ghabri – een tengere Amsterdamse van Marokkaanse komaf – heeft ze de reputatie opgebouwd van een ’bitch’.

„Cliënten vertellen dat onder elkaar. Dat het geen voordeel is als je mij als begeleider krijgt. Ik heb het imago dat ik gehaaid ben en dat je mij niks wijs kunt maken.”

Ghabri (30) begeleidt gedetineerden als zij in de laatste fase van hun straf voorbereid worden op een terugkeer in de maatschappij. Vooral diegenen die zelf gevraagd hebben om ’detentiefasering’: tegen het einde van de straf wordt het regime soepeler en uiteindelijk mag de veroordeelde zelfstandig wonen onder elektronisch toezicht. „Je weet wel”, zegt Ghabri. „Met zo’n enkelband om.”

In die laatste periode, die – afhankelijk van hoeveel celstraf iemand had – maximaal een jaar duurt, helpt Ghabri haar cliënten hun leven ’buiten’ op de rails te krijgen. „De mensen met wie ik werk zijn veroordeeld tot minimaal een jaar. Ze hebben bijvoorbeeld vermogensdelicten gepleegd, of diefstal met geweld. Soms ook seksuele delicten.

Maar daarover begin ik nooit in het eerste gesprek tussen mij en mijn cliënt. Ik leg juist uit dat ik er ben om te helpen. En ik probeer al iets concreets te regelen, bijvoorbeeld een ziektekostenverzekering. Daarmee toon ik mijn goede wil. Ik vraag niet: waarom heb je die vrouw beroofd terwijl je weet dat zoiets fout is? Wel probeer ik een cliënt te laten vertellen welke impact die daad had op zijn leven. Zíjn leven, ja. Vrijwel al mijn cliënten zijn man.”

Ghabri probeert bij haar cliënten een gedragsverandering teweeg te brengen. „Maar daar moeten ze wel voor open staan”, zegt ze. „Ze moeten mijn hulp toelaten, er ontvankelijk voor zijn.”

Filosofe en dichteres Renée van Riessen haalde vorige week in deze krant Emmanuel Levinas aan. Volgens de Franse filosoof heeft ontvankelijkheid te maken met ’opmerkzaamheid voor wat anderen jou kunnen brengen’. Van Riessen maakte een vergelijking met een schooljuf die op maandagochtend de kleuters kan vragen ’wat heb jij in het weekend gedaan?’. De juf, zei Van Riessen, zou ook kunnen vragen: ’Wat wil jij over het weekeinde vertellen?’ „Die vraag is moeilijker, want eist van de juf dat ze actief deelneemt aan het gesprek, goed luistert en op het juiste moment vragen stelt. Een gesprek dat met die vraag begint wordt pas een succes wanneer de vragensteller echt belangstelling toont.”

Fatima Ghabri: „Het is in mijn werk belangrijk dat er een goede verhouding is tussen mij en mijn cliënt. Ik heb geleerd dat ik die niet bereik door hem te vertellen wat hij allemaal moet of niet mag. Dan sluit hij zich af. Ik vraag juist: wat wil je bereiken en welke problemen wil je daarvoor oplossen? Een crimineel zei me eens: ’Ik weet wel dat ik in de fout ben gegaan, dat hoef je me niet nog een keer te vertellen. Ik wil weten hoe ik daar nu mee om moet gaan’.”

Is een gedetineerde eenmaal toegelaten tot een ’traject’ met elektronisch toezicht, dan ziet Ghabri soms hoe ze op slag veranderen. „Wat ik altijd moet inschatten”, zegt ze, „is in hoeverre iemand echt zijn leven wil beteren of alleen maar uit is op wat meer vrijheid. Onder elkaar vertellen gedetineerden precies hoe je je moet opstellen om in zo’n traject te komen. Dat je heel gemotiveerd moet overkomen, je voorbeeldig moet gedragen. Maar lopen ze eenmaal buiten dan gaan ze vaak de grenzen verkennen. Kijken of ze weg kunnen blijven van hun werk, afspraken met mij op het allerlaatste moment afzeggen.”

Neem nu die ene jongeman die ze laatst begeleidde. „Het leek erop dat hij echt graag wilde veranderen. Hij wilde overal aan meewerken. Een psychiatrische behandeling, een training in cognitieve vaardigheden, hij leek heel gemotiveerd. Vervolgens blijkt hij op de vaardighedentraining heel vervelend. Hij vertoont storend gedrag, maar nét niet zo storend dat hij de kans loopt teruggestuurd te worden naar de gevangenis. Tja, dan moet ik als begeleider iets. Ik zeg ronduit wat er niet goed is en vraag hoe dat komt. Ik ga hem niet de les lezen. Ik ben hulpverlener, geen schooljuf of politieagent.”

Ontvankelijkheid, zei Renée van Riessen ook, is ’iets wat we van nature al bezitten’. „Wij zijn ontvankelijk voor prikkels van buitenaf en ook voor gevoelens die ons van binnenuit raken of overweldigen. Maar voor die prikkels kunnen we ons wel openstellen of afsluiten. Misschien zou je ontvankelijkheid een houding kunnen noemen waarbij je de juiste openheid betracht.”

Fatima Ghabri herkent dat, zegt ze. „Waar ons werk uiteindelijk om draait is het voorkomen van recidive. De kans daarop proberen we in te schatten door te kijken naar ’criminogene factoren’ in het leven van een cliënt, zaken die ervoor zouden kunnen zorgen dat hij gemakkelijk terugvalt in crimineel gedrag – schulden, een verslaving, foute vrienden. Natuurlijk kan ik niemand opdragen om te breken met zijn vrienden. Maar we kunnen wel samen kijken naar hoe je je opstelt tegenover de prikkels die van die vrienden uitgaan. Wat doe je bijvoorbeeld als je gestolen kleding aangeboden krijgt?”

Zeker, zegt Ghabri, het gebeurt vaak genoeg dat een cliënt toch weer de fout ingaat. Dat wordt het elektronisch toezicht stopgezet, en moet hij weer de cel in. „Ik zeg dan: blijkbaar was je er nog niet klaar voor. Je kunt het buiten nog niet aan, er zijn te veel prikkels voor je.”

Maar ze probeert ook op de positieve kanten te wijzen, zegt Ghabri. „Iemand heeft nu geleerd hoe het niet moet. Dat is waardevol. Ik zeg dan tegen mijn cliënt: ’jouw tijd komt nog, in de cel kun je rustig nadenken hoe je wél op alle prikkels moet reageren.’”

Ze wilde reclasseringswerker worden, zegt Ghabri, omdat ze gefascineerd is door de vraag hoe iemand ertoe komt een misdaad te begaan. „En door mijn eigen achtergrond kijk ik in het bijzonder naar daders van Marokkaanse afkomst. Dan denk ik: hoe kan het dat zij zo vaak in de fout gaan? Ik kom uit precies hetzelfde milieu. Ik ben óók tweede generatie Marokkaan, mijn ouders zijn óók analfabeet, maar ik ben niet crimineel geworden. En mijn broers ook niet, en mijn neven ook niet. Waarom anderen dan wel, vraag ik mij af.”

„Ik probeer daders te begrijpen”, zegt Ghabri. „Ik probeer mij oprecht open te stellen. Ik geloof dat iedereen van nature een goed mens is. Alleen maken sommigen een verkeerde keuze. Als je daar niet in gelooft, kun je dit werk niet doen.”

mailIcon print |