*

 

Piekerprinses uit de achttiende eeuw

Jann Ruyters − 01/03/08, 00:00

Joke Hermsen schreef een roman over de denkster Belle van Zuylen. De lege plekken in haar biografie vult ze mooi met een liefdesaffaire. Wel had die iets aardser gekund.

Joke J Hermsen: De liefde dus. De Arbeiderspers, Amsterdam. ISBN 9789029565639; 325 blz. euro 18,95

Schrijfster, componiste en filosofe Belle van Zuylen (1740-1805), één van de levendigste stemmen van haar tijd, dreigt twee eeuwen later toch in deftigheid te verstenen.

Zo’n vijftien jaar terug leefde de belangstelling voor haar werk even op. Van Zuylens briefwisselingen met Constant d’Hermenches en Benjamin Constant werden opnieuw vertaald en geprezen om hun onbevangenheid en spiritualiteit. Er verscheen zowel een film (van Digna Sinke) als een biografie (van Pierre en Simone Dubois) over haar, en filosofe Joke J. Hermsen wijdde een deel van haar proefschrift en enkele beschouwingen aan haar filosofie en levenskunst.

Sindsdien is de belangstelling voor van Zuylens werk weer tanende, maar de schrijfster Joke Hermsen heeft de in de achttiende eeuw beknelde, naar meer vrijheid hunkerende, adellijke, denkende dame nog niet losgelaten.

Er bleken alleen wel grenzen te zijn aan wat zij nog over Belle’s leven zou kunnen opdiepen in de archieven – die zich overigens bevinden in het Zwitserse Colombier, waar de Nederlandse na haar verstandshuwelijk met de Zwitser De Charrière woonde. In de biografie ’Zonder vaandel’ constateerde het echtpaar Dubois dat er in Belle's levensverhaal twee jaren ontbraken waarin zij op mysterieuze wijze uit het zicht verdween. In die tragische periode leefde ze in elk geval gescheiden van haar echtgenoot, deels in revolutionair Parijs, iets wat wellicht met een ongelukkige, geheime liefde te maken had. Een roman over die periode zou uitkomst kunnen bieden, suggereerden de biografen.

De liefde dus. Joke Hermsen pakte de handschoen op en besloot haar verbeelding aan het werk te zetten. In het nawoord bij de roman lezen we hoe ze in Zwitserland, in Belle’s correspondentie, aanwijzingen vond dat het bij de geheime minnaar om de vijftien jaar jongere bankier Charles (Jean Samuel) d’Apples zou gaan. Inspirerend genoeg voor een roman die in fictieve dagboekfragmenten en brieven filosofisch onderzoekt wat het wezen van de liefde is, en die de lezer van nu probeert mee te trekken in de roes van deze ’ziekte die hartstocht heet’. Het eerste lukt heel goed, het tweede blijkt wat lastiger.

Wij stappen in Belle’s leven op het moment dat zij in 1785, wanhopig, omdat de verhouding op niets is uitgelopen, in een schommelende koets naar Parijs reist. Beide geliefden zijn gebonden aan anderen en schrikken er voor terug om hun hart te volgen. Belle lijdt aan achttiende-eeuwse vapeurs (pijn in de schouders, hoofd) en gaat te rade bij een pre-freudiaanse arts Cagliostro die haar voorhoudt dat het bij de liefde niet om het hart of het hoofd maar om de buik gaat: ’de bewaarplaats van het natuurlijke evenwicht’ en ’de bron van het zuivere willen’. „Vrouwen die hun onderste helft in orde hebben hoeven weinig kwalen te vrezen”, aldus de arts. Een standpunt dat de feminist in Belle van Zuylen in opstand brengt („U vergeet dat het voor vrouwen niet zo eenvoudig is hun zaakjes daar op orde te brengen”) en de moralist in haar verwart. Mag zij in de liefde zomaar voor zichzelf kiezen en daarmee haar verwanten schade berokkenen?

Mooi is hoe Hermsen binnen de grenzen van deze waar gebeurde fictie toch ook de plot weet uit te bouwen, met een misverstand en een gemiste ontmoeting, zoals het hoort in een liefdesroman. Tot aan de klassieke ontknoping blijft het spannend hoe de affaire zich heeft voltrokken.

Fraai is ook het decor van de achttiende eeuw: het politieke gerommel in Parijs, de heftige reizen per koets (aan het begin) en per boot (aan het slot) die de wanhoop van Belle en haar minnaar illustreren en verlevendigen. Ook de omhaal van woorden, de plechtige filosofische bespiegelingen van deze achttiende-eeuwse piekerprinses laten zich lezen als een vlucht in het romantische.

Gaandeweg ga je wel een beetje naar de bodem verlangen, naar modder en smurrie en drijfzand waar ongelukkige geliefden toch ook in plegen weg te zinken. De hartstocht mag in dit verhaal de zaak op scherp zetten, die buik, waar Cagliostro het over heeft, die verliest het opnieuw van het hoofd.

mailIcon print |