*

 

Met wijwater en pistool op missie in China

Tjalling Halbertsma − 01/03/08, 00:00

Jonge mannen, opgeleid om dorpskapelaan te worden, gingen in de negentiende eeuw als missionaris naar China. Geweld schuwden ze bij hun werk niet, schrijft Harry Knipschild.

Harry Knipschild: Soldaten van God, Nederlandse en Belgische missionarissen op missie in China in de negentiende eeuw. Bert Bakker, Amsterdam. ISBN 9789035131934; 352 blz. euro 25

Nooit eerder trokken zoveel Nederlanders naar China als in de afgelopen jaren. Eigenlijk zouden zij Knipschilds boek over de Nederlandse en Belgische missie in China moeten lezen. Want zelden kwam een botsing der beschavingen zo naar de oppervlakte als in de negentiende eeuw, toen Nederlandse, Belgische en andere westerse missionarissen in China hun geloof aan de man probeerden te brengen.

Aanvankelijk sloten de jonge Nederlandse paters zich aan bij Belgische en Duitse orden die al in China actief waren, zoals de congregatie van Scheut (CICM) en de vanuit Limburg opererende missie van Steijl (SVD). Later werd er ook een eigen Nederlandse organisatie opgericht. Een aantal van de Nederlandse paters zou nooit uit China terugkeren. Ziekte en het martelaarschap eisten hun tol. De erfenis van deze katholieke groepen in China is echter nog springlevend.

Historicus Knipschild, die in de jaren zeventig als promotor popgroepen zoals ABBA naar Nederland haalde, baseert zich in dit boek vooral op brieven die missionarissen vanuit China naar huis stuurden. Hij verhaalt van jonge mannen van nog geen 24 jaar oud, afkomstig uit plaatsen zoals Soest, Waalwijk, Utrecht en Raamsdonksveer, die in Nederland eigenlijk een toekomst als dorpskapelaan te wachten stond, maar in plaats daarvan naar China werden uitgezonden.

Van een werkelijke Chinese interesse in het christendom was maar nauwelijks sprake. Menig pater zag ’zijn hemels doel geheiligd door menselijke middelen’. Terugkerende hongersnoden, oorlog of vluchtpogingen voor de lange arm van het Chinese gerecht, leidden bij tijden tot een stormloop aan bekeringen. „Als we het van preken moesten hebben kwamen wij niet ver”, merkt een van de Nederlandse bisschoppen in China pragmatisch op.

Zolang de congregaties geld hadden om uitgehongerde boeren van voedsel te voorzien of in hun ommuurde kerken bescherming te bieden, werd er bekeerd, maar als het geld uit Europa opdroogde zagen de missionarissen zich gedwongen de ’rijstchristenen’ voor hun poort weg te sturen. Daarnaast bepaalden geldstromen, bureaucratie en rivaliteit tussen de paters onderling maar wat vaak het functioneren van de congregaties.

Knipschild laat vooral zien dat de congregaties in China door mensen van vlees en bloed bestierd werden. En dat vijandigheden waarmee missionarissen zich in China geconfronteerd zagen niet zelden door hen zelf veroorzaakt werden.

Verzet van anti-westerse bewegingen en lokale mandarijnen leidde aan het einde van de negentiende eeuw tot hevige gevechten tussen paters en lokale bevolking. De paters schrokken er niet voor terug om zich daarbij met geweld te verdedigen. Wanneer ’de duivels onder de bezetenen niet met het werpen van wijwater konden worden uitgedreven’, schoten de paters er lustig op los en werd ’menig heiden neergelapt’. Vrijwel iedere missionaris bezat daarom een paar pistolen of verzocht het thuisfront ijlings een geweer te sturen. De titel van dit boek is dan ook raak gekozen.

Uiteindelijk deden burgeroorlog, communisme en het uitroepen van de Chinese Volksrepubliek in 1949 de westerse missie in China de das om.

Knipschild toont zich in zijn boek vooral historicus en laat de erfenis van de Nederlandse en Belgische missie grotendeels onbesproken. Hij noemt weliswaar de heiligverklaring van een aantal negentiende-eeuwse missionarissen in 2000 - tot verontwaardiging van China uitgerekend op de dag waarop China zijn onafhankelijkheid viert – en de rol van de grondlegger van Unilever voor de financiering van de missie, maar niet dat een aantal van de missieorganisaties die hij beschrijft intussen opnieuw in Azië actief is. Zo zijn de missionarissen van Scheut in 1992 opnieuw in Mongolië neergestreken en is de missie van Steijl vanuit Taiwan actief. De twee congregaties, die aan de wieg hebben gestaan van de Westerse sinologie en mongolistiek, spelen bovendien nog altijd een actieve rol in de hedendaagse bestudering van China en Mongolië. Met name door hun banden met universiteiten en eigen academische uitgeverijen.

’Soldaten van God’’vertelt derhalve van een episode die nog altijd voortduurt en die hoogst relevant en actueel is. Ook voor de Nederlanders die nu door multinationals zoals Unilever naar China worden uitgezonden.

mailIcon print |