Italië was van meet af aan een verscheurd land, met bewoners die elkaar niet eens verstonden. De historicus Christopher Duggan schreef een prachtig boek over de teloorgang van een ideaal.
Christopher Duggan: The Force of Destiny. Allan Lane, Londen. ISBN 9780713997095. 653 blz. euro 44
In september 1943, bijna 21 jaar na de verovering van de macht, gaf het fascistische regiem in Italië de geest. Voor een bewind dat drie jaar eerder met vliegende vaandels ten oorlog was getrokken om het land voor eens en altijd als grootmacht op de kaart te zetten, was het een nogal roemloos einde. Er werd een wapenstilstand, die weinig meer was dan een capitulatie, gesloten met de Britten en Amerikanen; de ’grootste Italiaan aller tijden’, Benito Mussolini, was al eerder door zijn eigen trawanten afgezet en het volk dat hem jarenlang had bejubeld, was voornamelijk opgelucht dat het avontuur eindelijk achter de rug was.
Maar het was niet alleen het fascisme waar de bevolking de buik van vol scheen te hebben. „Het leek wel of ze niet alleen blij waren bevrijd te zijn van het fascisme maar ook van ‘Italië’ , schrijft Christopher Duggan in zijn magistrale geschiedenis van Italie sinds 1796: ’The Force of Destiny’ (De Macht van het Lot). Ter illustratie citeert hij uit een brief van een Napolitaan die waarschijnlijk de stemming in het bevrijde zuiden – het noorden werd tot mei ’45 geterroriseerd door de Duitsers – het beste weergeeft. „Ik hoop dat de Amerikanen en Britten nooit weggaan. Vergeleken met hen hebben wij een veel armzaliger kijk op het leven.”
Met ’Force of Destiny’ heeft Duggan meer geschreven dan een geschiedenis van het moderne Italië. Het is ook de melancholiek stemmende beschrijving en analyse van de teloorgang van een ideaal: hoe smeed je een in zijn regio’s versplinterd land met bewoners die elkaar vaak niet eens verstonden, tot een nationale eenheid? Of, minder abstract: hoe maak je van Milanezen, Romeinen, Sicilianen en al die andere bewoners van de laars ’Italianen’.
Het was een project dat volgens sceptische Realpolitiker van meet af aan onbegonnen werk was. „Italië is niet meer dan een aardrijkskundige term”, orakelde de negentiende-eeuwse Oostenrijkse staatsman vorst Metternich. Zijn staatjes waren te klein en te zwak om serieus rekening mee te houden. Hooguit inzet, maar nooit spelers in het diplomatieke blufpoker waarin hij een grootmeester was.
Voor Italiës verlichte geesten was deze stand van zaken een vernedering die ze niet over hun kant konden laten gaan. Ze putten inspiratie uit het voorbeeld van Frankrijk. De revolutie van 1789 had niet alleen de fraai klinkende, maar in de praktijk nogal loze slogan over vrijheid, gelijkheid en broederschap opgeleverd, maar van een verdeeld volk ook een ’natie’ weten te maken. Het zou mooi zijn als de Italianen, die ondanks verdeeldheid en eeuwenlange overheersing door onder anderen Fransen, Oostenrijkers en Spanjaarden op een glorieuze geschiedenis konden bogen, ook zo’n wederopstanding (Risorgimento) zouden beleven.
Bij deze onderneming stuitten ze steeds weer op het gelijk van Metternich. Italië was niet zomaar verdeeld, het was verscheurd. Er was behalve van een geografische scheiding, tussen het relatief welvarende noorden en het achtergebleven zuiden, ook – en minstens zo zwaarwegend – sprake van een sociaal-culturele en mentale breuklijn.
De Risorgimento was een bij uitstek elitair project: onderwerp van epische verzen, wetenschappelijke traktaten en discussie in de literaire salons en tussen de leden van de diverse geheime genootschappen zoals de vrijmetselaars en de Carbonari. Voor het overgrote deel van de bevolking betekende het helemaal niets. De meeste mensen waren al blij als ze na het avondgebed met een enigszins gevulde maag naar bed kon; ze namen genoegen met de wekelijkse portie zielenheil die de katholieke kerk hen serveerde.
Hoe groot de kloof tussen de elite en de bevolking was – en in vele opzichten nog steeds is – is een van de constanten in ’Force of Destiny’.
De voorvechters van de Risorgimento hadden meestal geen notie van wat er onder het volk leefde. Ze wisten dat het achterlijk was, materialistisch en onder de plak zat bij meneer pastoor. Het land dat ze wilden opstoten in de vaart der volkeren was voor hen vaak letterlijk onbekend terrein. De profeet van de Risorgimento, Mazzini, voelde zich eerder thuis in Londen dan in, pakweg, Rome. En de man die als de architect van de Italiaanse eenheid in vrijwel elke Italiaanse stad en dorp een plein en standbeeld heeft, graaf Cavour, sprak liever en beter Frans dan Italiaans en kende de weg in Parijs en Londen vermoedelijk beter dan in Milaan.
Aan de andere kant van de kloof had het volk geen idee van wat het overkwam toen het in 1860 tenslotte de eenwording van Italië als een koninkrijk mocht vieren. Een Siciliaanse boer wilde van een vriend weten ’wie die (I)talia toch mocht wezen. De vrouw van die nieuwe koning’?
De opvoeding van Giuseppe de Siciliaan tot Giuseppe de Italiaan dreigde dus iets van de zeer lange adem te worden en de mannen van de Risorgimento hadden niet het geduld om daar op te wachten. Oorlog moest dat proces versnellen. Italiaan werd je op het slagveld, door ’de doop in het bloed’.
Ook dat is in de Italiaanse geschiedenis een regelmatig terugkerend thema: het land heeft zich sinds de Risorgimento in een aantal militaire avonturen gestort die zelden op een succes en meestal op een debacle uitliepen. De boerenjongens die slecht opgeleid en nog slechter uitgerust onder bevel van onbekwame officieren mochten sneuvelen voor het onbekende vaderland, kregen daar gauw genoeg van. Vechten voor jezelf en je familie, akkoord, maar niet voor een abstractie als Italië.
Dat is geen klimaat dat bevorderlijk is voor de ontwikkeling van burgerzin, het besef dat het algemeen belang ook jouw belang is. En al helemaal niet als de gevestigde orde weigert het goede voorbeeld te geven en de staat beschouwt als zijn eigen melkkoe, met als onvermijdelijke consequentie een in alle geledingen van de maatschappij diep gewortelde en wijd vertakte corruptie.
Zelfs toen ‘Italië’ bij zijn bevolking leek aan te slaan, zoals in de eerste jaren van het fascisme, bleek die geestdrift uiteindelijk niet bestand tegen de eerste ernstige tegenslagen. De gebruikelijke reflex trad weer op: ieder voor zich en de familie en de god van Italië voor ons allen.
En zo is het ruim tweehonderd jaar na de eerste dromen van de Risorgimento nog steeds, aldus Duggan. Ondanks de aanhoudende serie politieke crises en schandalen kijkt men nog altijd nauwelijks verder dan de rand van het eigen pastabord.
„Om goed te kunnen functioneren moet een staat het overkoepelende gevoel van een groter geheel kunnen bieden, waaraan het individu, de groep en de partij zich ondergeschikt maken. (...) ’Italië’ is er nog steeds niet in geslaagd om de emotionele kern van de natie te worden’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.