Met zijn anti-koranfilm ’Fitna’ tracht Geert Wilders te bewijzen dat de islam de meest recente beproeving is voor de westerse democratieĆ«n, na die van het nazisme en het communisme. Daarmee plaatst hij godsdienst en ideologie zowel in het verlengde van elkaar als onder dezelfde noemer van ’het kwaad’.
Voor het uitroeien daarvan, hoe nobel dat streven ook is, schiet zijn film echter fundamenteel tekort. De wortel van ’het kwaad’ schuilt namelijk niet in boeken als de Koran, het Communistisch Manifest of Mein Kampf, maar in ons denken over, ofwel onze interpretatie van het begrip ’democratie’. In ons veelpartijenstelsel geven godsdienst en ideologie immers de toon aan, waardoor ’het kwaad’ op democratische wijze periodiek in stand wordt gehouden.
Het uitroeien van ’het kwaad’ vereist dan ook geen publiek debat over Wilders’ anti-koranfilm, maar een publiek debat over ons partijpolitiek bestel, waarin ons geloof daarin ondubbelzinnig aan de kaak wordt gesteld. Voor de behartiging van dat ’algemeen belang’ is hier voor de publieke omroep een uitgelezen taak weggelegd.
Wouter ter Heide Zwolle
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.