*

 

’Ik ben er slechter uitgekomen’

Door: redactie − 03/03/08, 00:17

De afspraak stond voor half één in de middag, maar de 18-jarige Monica Roelofs slaapt nog. Pas na aanhoudend bellen, verschijnt ze en excuseert zich: ze is moe, ze heeft lang wakker gelegen.

Monica is sinds augustus vrij. Ze woont nu in een groepshuis in Nijmegen en leert zelfstandig wonen. Daarvoor zat zij negen maanden in de OG Heldringstichting in Zetten. „Ik kon weg, omdat ik achttien was geworden. Maar ik moest anderen achterlaten en ik denk dat het belangrijk is om te vertellen wat zij daar doormaken.”

Ze begrijpt best dat ze er terecht kwam. „Het ging heel slecht met mij.” Tot de derde klas van het vwo, waren er geen problemen, vertelt het meisje dat in Grave (Gelderland) opgroeide. „Toen begon ik te spijbelen en vooral veel te blowen. Ik kreeg de houding: ach, ik zie morgen wel.”

Thuis kreeg ze veel ruzie. „Ik ging naar een andere school, maar dat veranderde niks.” Uiteindelijk werd Monica door de kinderrechter uit huis geplaatst.

Na een korte omweg via jeugdgevangenis Harreveld in Almelo, kwam ze in de Heldringstichting, waar ze behandeld zou worden voor haar gedragsprobleem. De jongeren volgen in deze instelling een vaste routine. Als ze zich netjes gedragen, verdienen ze privileges.

Er was veel strijd in Zetten, ontdekte Monica al snel. „De relatie tussen de leiding en de jongeren was slecht. Het leek wel of de leiding telkens dingen zocht om de jongeren kwaad te maken, zodat ze hen naar hun kamer konden sturen. Dan waren er niet meer twaalf jongeren beneden, en hoe minder hoe gemakkelijker het voor hen is.”

De jongeren strijden ook met elkaar. Bedreigingen en mishandeling waren niet ongewoon. „Jongens stopten een keer kauwgom in mijn haar, in het begin. Ik vertelde het de leiding. Zei een meisje tegen me: ’als je dat nog eens doet, sla ik je in mekaar.’ Dat doe je dus niet meer. Je past je aan.”

Monica vond de leiding ’onterecht streng’. „Als er iets gebeurd was en de leiding wist niet wie het gedaan had, dan werden we allemaal opgesloten. Als je er dan echt niks van weet en toch uren alleen zit, is dat zo vreselijk. Dan hoor je anderen in hun kamer door het lint gaan, tegen de deur trappen, schreeuwen.”

Er werd, volgens Monica, veel geblowd. „Jongeren vinden altijd manieren om spullen binnen te krijgen. Buiten begraven bijvoorbeeld na verlof en dan na school oppikken, want dan word je niet meer gecontroleerd.”

Ze raakte na enkele maanden behoorlijk van streek, zo erg dat de leiding vreesde dat ze zichzelf iets aan zou doen. „Twee mannen kwamen midden in de nacht een keer controleren of alles wel goed ging. Ik schrok zo van die beveiligers naast mijn bed, dat ik schreeuwde: ’ga weg, haal een vrouw.’ Hebben ze gedaan, maar niet om met mij te praten, maar om mij in de isoleercel te stoppen. Want een meisje uitkleden, dat mag alleen een vrouw.”

Monica beet van zich af. Het lukte de leiding niet haar de scheurjurk, het enige kledingstuk voor in de isoleercel, aan te doen. „Ze gooiden nog net een deken over me heen. Dat was echt het dieptepunt. Ik was zo de weg kwijt.”

Monica's vertrouwen in de leiding was zo gering dat ze niet in therapie ging. „Ik voelde me er niet veilig.” Maar ze heeft ook goede dingen meegemaakt, vriendschappen gesloten.

Nu heeft ze nog vaak hoofdpijn, zoals de afgelopen nacht. „Ik ben er slechter uitgekomen. Ik heb nachtmerries over die tijd, maar niet zo vaak meer.”

Ze wil haar havo-diploma halen en krijgt hulp van haar ouders. Later wil ze zelf jongeren gaan helpen. „En dan dus níet zoals daar gebeurt.”

mailIcon print |